Home  |  Contact  
 

Artikelen, Verhalen


Boerenkarper


De Pen

Na mijn vorige schrijfsel heb ik een tijdje zitten na te denken. Het kriebelde diep van binnen om nogmaals iets over mijn karpervisserij via een artikel mee te delen. Nou wordt er geschreven over heel veel onderwerpen bij KWO. En doorgaands van een hoogstaande kwaliteit. Meestal gaan de artikelen over grote karpers, en alles wat daar mee samen hangt. Goede zaak natuurlijk, maar er is meer. Zoals het vissen op boerenkarper. Dat zijn geen buitenproportionele grote karpers maar ze bieden wel het spektakel en de romantiek waar een karpervissershart zoals het mijne naar kan verlangen. Het is mogelijk om zonder gedegen voerstekvoorbereiding meerdere vangsten in soms een aantal uren te realiseren. En als ze op het juiste materiaal worden gevangen zijn spectaculaire drils de visser zijn deel. Daarom wil ik iets vertellen van een zich jaarlijks herhalend deel van mijn voorjaarvisserij op karper. Zo vanaf 1 april, als mijn visserij op specimensnoek(baars) is afgelopen vanwege de gesloten tijd, start voor mij het voorjaar. En een deel daarvan vis ik gericht op boerenkarper. Naast mijn visserij op alle andere karper die ik beleef (deels al heb beleefd) in Nederlandse, Franse en Italiaanse wateren, is de jacht op boerenkarper in het voorjaar toch wel een van de toppunten. Waarom alleen voorjaar? Nou, dat is niet moeilijk te beantwoorden. De andere seizoenen zijn de karpers niet in de door mij beviste polders te vinden en dus ook niet te vangen.

Ze komen..


Karper in de planten. Vader en zoon in de problemen.
Karper in de planten. Vader en zoon in de problemen.
Het voorjaar 2001 begint door te zetten. Na een periode van soms sterk wisselende temperaturen en neerslag in de vorm van regen, natte sneeuw en hagel, ligt meer stabieler weer met iets hogere temperaturen in het vooruitzicht. Met dat soort wijzigingen in de dagelijkse weersvoorspellingen gaat mijn "wilde karper" bloed sneller stromen. Ik weet dat de wilde karper, of boerenkarper zoal u wilt, de polders in mijn directe woonomgeving dan intrekken om zich langzaam voor te bereiden op de bruiloft die soms weken later pas wordt gevierd. En in die weken tussen komen en gaan van de karpers, verblijf ik alle tijd die ik vrij kan maken in hun gezelschap. Uiteraard heb ik een andere bedoeling met mijn aanwezigheid dan de vissen, maar wel met een vergelijkbaar resultaat: namelijk het oproepen van momenten waarvan de heftigheid de vormen van een extase aannemen. De polders waarin ik in het voorjaar vertoef, bestaan uit vaarten van een gemiddelde breedte en meestal een geringe diepte van hooguit 170 cm, vaker nog iets ondieper. In mijn omgeving barst het van dergelijke polderwateren die op hun beurt in het voorjaar weer (kunnen) barsten van de boerenkarper. Het zijn prachtige braakliggende visgebieden waarin het wonder nog leeft. Het wonder niet in de vorm van groot, groter, grootst. Nee, meer van vissen die kracht en snelheid aan elkaar paren en die deze oergaven gebruiken als dat nodig is. Vissen die als ze worden gevangen, vaak voor het eerst kennis maken met de bovenwereld en (nog) niet zijn geteld, gewogen en geregistreerd. En die bovendien leven in een omgeving dat het woordje "natuur" nog enigszins recht doet, boven en onder water. Het zijn karpers, die in het half heldere water alle van boven af komende dreigementen serieus nemen en zich uit de vinnen maken zodra zo'n bedreiging zich voordoet. Waardoor zij onbewust een appèl doen op het (jaag)gedrag van de visser.

Maar goed, terug naar mijn polder. Meestal zijn ze zo half april de karpers aanwezig. Veel hangt af van de temperatuur, maar zodra het water tien graden heeft bereikt en (het liefst) stijgende is, visiteren ze mijn viswater. Groepsgewijs trekken ze door de vaarten. Nooit in grote groepen maar ook vrijwel nooit alleen. Natuurlijk splitst een enkele vis zich wel eens af voor een korte (aas)periode, maar snel daarna zoekt hij toch weer de veiligheid van de groep. Soms ook "staan" ze op plaatsen waar vaarten elkaar kruisen of "staan" ze bij de uitmonding van een gemaal of molen volkomen passief te zijn. Ook zie ik ze vaak bezig onder de, in het ondiepe water in april al aanwezige, plantengroei. Ze zijn dan eigenlijk alleen te ontdekken tijdens aasactiviteiten waarbij het bewegen van de vegetatie, kleine kolkjes in het water en/of het opdwarrelen van modder een goede indicatie is.

Van begin april tot half mei tijd besteed ik heel wat uurtjes aan het opsporen, observeren en bevissen van de karper in de polder. Nadat ik de hele dag arbeidsstress heb lopen opstapelen, voelt het zo weldadig aan om mij 's avonds moederziel alleen in de polder te begeven om op zeer omzichtige wijze de karpers te vinden en te vangen. En het grappige is dat ik dan hele verhalen tegen mezelf kan houden over het wel of niet slagen van mijn doel. Een enkele keer levert dat ook wel eens komische taferelen op. Zo maakte ik een keer mee dat na een aantal avonden sluipen en kruipen langs het water de plaatselijke agrariër in gezelschap van twee stevige kerels dreigend kwam informeren wat ik daar elke avond aan het uitspoken was. Het heeft veel moeite gekost om de mannen te laten geloven dat ik visjes kwam kijken.

De Staalblauwe glans, een typische wildekarper kenmerk.
De Staalblauwe glans, een typische wildekarper kenmerk.
Eenmaal overtuigd van voldoende aanwezigheid van karpers begin ik mijn plannen te trekken. Zo door de jaren heen heb ik ervaren dat het kiezen van de visstek en de keuze van het aas zwaarwegende vangstfactoren kunnen zijn. De keuze van het aas omdat de aanwezigheid van boerenkarper nog niets zegt over hun bijtlust. Jaren terug beviste ik een polder waar ik voerde en viste met zachte mais uit blik. Het ving heus wel, maar bracht niet wat ik ervan verwachtte. Door geëxperimenteer met veel soorten aas kwam ik er achter dat rauwe havermout een perfect voer was en dat deeg gemaakt van voorgekookte havermout uit pak de topvanger bleek.

De polderkarper in de omgeving van mijn woonplaats is ook erg gevoelig voor dergelijke aassoorten maar zoals ik heb ervaren, nog meer voor levend aas in de vorm van wormen, maden en de nauwelijks als aas bekend staande pissebedden. De eerste twee aassoorten bevestig ik op de gebruikelijke wijze aan een bijpassende haak. De laatste aassoort, de pissebedden, bevestig ik op een afwijkende methode. Een dunstelige haak maat 6 of 8, meestal model arendsklauw, tip ik even aan met secondenlijm waarna de pissebed met de rugkant eraan vast wordt geplakt. Gewoon op de haak prikken lukt niet erg doordat het beestje sterk gesegmenteerd is opgebouwd en bij het opprikken breekt. Met name karper die zich actief gedraagt, maar weigert de reguliere aassoorten te pakken verleid ik vaak wel met pissebedden. Het is een aassoort die verbluffende resultaten op kan leveren en ook relatief gemakkelijk verkrijgbaar is. Zoeken onder buiten staande stapels stenen, vuilnisbakken e.d. levert vaak al voldoende op voor een vissessie. Uiteraard zijn traditionele aassoorten als kruimige aardappel, roggebrood(met een beetje stroop), allerlei deegsoorten en brood ook zeer goede vangers. In de schemeruren van de avond kunnen de karpers in redelijke getale uitlopen voor de grote, langzaam zinkende of drijvende vlok en uiteraard broodkorsten. Het oppervlakte-aas-vissen is al zeer vaak bejubeld door liefhebbers. En terecht. Het is een manier van vissen die zijn gelijke niet kent, een manier die zoveel van de emotionele beleving van de visser kan vragen dat eigenlijk elke visser die voor het eerst met drijvend aas vist, zou moeten worden getest op zijn hartfuncties.

Soms zit tussen de boerenkarpers een schubkarper. Leuk om te vangen maar desastreus voor de stand van de boerenkarpers. Door vermenging tijdens de paai ontstaan karpers die de echte kenmerken van de wilde karper missen. Op den duur bestaat de kans dat de hele stand van echte wilde karpers hierdoor worden aangetast.

Materiaal


  • Hengels

    Een 'edel'schub tussen de wilde karpers...
    Een 'edel'schub tussen de wilde karpers...
    Ik gebruik vrijwel standaard één hengel voor het polderwerk. Een éénpondshengel die gebouwd is van glasvezels en die zo soepel is dat met alleen een vlok op de haak -die even in het water is gedoopt- moeiteloos een twintigtal meters kan worden geworpen en dus perfect op het water kan worden geplaatst. Maar het is ook een hengel met voldoende body om de meest onstuimige vis te kunnen bedwingen en om de grillige vluchtmanoeuvres van karper maximaal mee te kunnen pareren. Ik gebruik een hengel van glasvezel omdat een boerenkarper een kort uitstaand lijntje geweldig kan teisteren. Bij plotseling geweld wordt het maximale van de lijn gevraagd, mijn hengel vangt dan de eerste en de ergste klappen op. De prachtige progressief opgebouwde weerstand over de volledige lengte van de hengel voorkomt dat lijnbreuk optreedt. Zou de hengel ook maar ietsje stugger zijn, dan werden veel karpers door mij verspeeld.

  • Lijn

    De lijn die ik gebruik is een normale nylonlijn op een dikte van 18-100ste. Geharde nylonlijnen(extra strong) gebruik ik bij dit werk nooit omdat die de nodige rek ontberen en daardoor sneller naar breuk leiden bij plotseling optredende krachtexplosies van de karper. Dyneema lijnen kunnen wel, maar vergen wel veel van de hengel omdat rek bij deze lijnen vrijwel tot nul is gereduceerd en daardoor de hengel het alleen moet doen. Juist die rek die gewone nylonlijn wel heeft, maken het samenspel tussen hengel en lijn waar geen enkele karper tegenop kan.

  • Pennen

    Korte pennen die goed uit te loden zijn met maximaal 2 loodjes van 2BB voldoen mij uitstekend. Hoewel een pen gevist op de zogenaamde Engels methode vaak wordt gebruikt bij de karpervisserij, gebruik ik in de polder pennen die ik op de juiste diepte kan fixeren op de lijn, eigenlijk identiek aan het vissen met de dobber op de vaste hengel. De diepte van het water laat deze pennen uitstekend toe en een perfecte beetregistratie is gegarandeerd. Het aas naar de stek brengen levert ook geen problemen op gezien de afstand tussen visser en stek, krachtig werpen is nauwelijks van toepassing. Onderhandse worpjes of hooguit een voorzichtig uitgevoerde overhead worp volstaan. Na het inwerpen laat ik de lijn tussen hengeltop en pen meestal over waterplanten heen lopen waarmee wordt voorkomen dat er een bocht in de lijn ontstaat door stroom of wind. Zijn er geen planten dan steek ik na de inworp de top voorzichtig even onder water en trek de lijn door aan de molen te draaien onder water.

  • Haken

    Over haken kan ik kort zijn. Voor korsten, broodvlokken en sommige levende aassoorten(maden b.v.) gebruik ik haken van het model arendsklauw en voor de overige aassoorten een haak met een iets langere steel en een mooie ronde bocht. Ze hebben me nog nooit in de steek gelaten. Ik kies de grootte van de haak van 4.0 tot en met 8.0. Uiteraard afhankelijk van de soort aas en de grootte ervan.

  • Overige

    Verder heb ik altijd een lichtgewicht stoeltje bij me en een landingsnet waarvan de omvang is afgestemd op mijn prooi. Karpers van dertig pond hoef ik immers niet te verwachten. Een bescheiden tasje met wat klein materiaal en dat is het wel. Daarmee kan wat mij betreft het feest beginnen.

    Langzaam verstrijken avonden
    Rijgen dag en nacht en dag aanéén
    Gezworen kameraden
    De mens en de natuur zijn een.


    Op rustige momenten
    Langs wuivend rietgewas
    Een vissertje, een loos meneertje
    Met zijn buit, uit een polderplas


    Niets hoort of ziet hij van buiten
    Hij is alleen, in volmaakt geluk
    met zijn vis, voor even ontrokken
    aan het water.
    Zijn dag kan niet meer stuk.





    Een (a)pril avond


    De dagen strooiden merkbaar langer met het daglicht. Na mijn werk kon ik een aantal uren rondstruinen bij het water alvorens de duisternis de polder opeiste. Al een aantal dagen had ik boerenkarpers van een flink formaat geobserveerd in een sloot niet ver van mijn huis. Het bleek dat ze zo tegen de avond bijna voltallig gingen azen bij de uitmonding van een elektrisch aangedreven "watermolen". Een watermolen die elke avond een uurtje draaide, ten einde het waterpeil in de polder beheersbaar te houden. Een prachtige stek. Met maar een nadeel : aan de overkant liep een fietspad als een kronkelend lint door de landerijen recht op de vaart af en boog enkele meters voor het water recht tegenover de stek westwaarts. Fietspaden betekenen mensen. En mensen betekenen commentaar als je vist. Nou hou ik niet van mensen in mijn buurt als ik aan het vissen ben en al helemaal niet van (fiets)toeristen die menen hun kennis van het vissen te moeten demonstreren tegenover de natuurliefhebber die ernaast fietst. In het meest gunstigste geval blijft het bij flauwe grappen (uw worm heeft al een zwemdiploma hoor, ha, ha). In het beroerdste geval zijn ze een half uur niet weg te slaan met allerlei tips en wetenswaardigheden hoe ik meer kan vangen. Maar deze keer niet, hoewel het eindelijk echt voorjaarsweer was, waren er geen fietsers onderweg. Mond-en-klauw-zeer had toegeslagen waardoor het fietspad was afgesloten.

    Het grasland droeg aan zijn oever een gele deken van bloeiend hoefblad. Weidevogels als de kievit, de grutto en ook de scholekster lieten na het verstrijken van een doodstille winter ferm van zich horen. Door de uitbraak van de mond-en-klauwzeer-crisis dit voorjaar bleef het vee bij de boer op stal. Een bizarre ervaring. De weilanden lagen er prachtig bij, klaar om te worden begraasd. Maar er liep helemaal geen vee in het land. Het deed me denken aan een mislukt schilderij: het oogt prachtig maar het "leeft" niet. Groen Nederland, geveld door een veeziekte en door Europese regelgeverij.

    Mijn laatste hoop, pissebedden. En? Bingo!
    Mijn laatste hoop, pissebedden. En? Bingo!
    Een zacht zuidwesten windje zorgde voor een klein kabbeltje op het water die in mijn voordeel leek. Het wateroppervlak is dan in beroering en mogelijk is de verschijning van de visser dan minder snel zichtbaar voor de karper. Bij het naderen van het water nam ik toch maar de nodige voorzichtigheid in acht. Plat op mijn buik liggend en met mijn hoofd zover als mogelijk en wenselijk boven het water hangend, ontwaarde ik een aantal karpers. Een stuk of zes, allemaal van een appetijtelijke omvang. Verder waren in het wateroppervlak ontiegelijk veel kleine visjes van het formaat speldaas tegen de stroom in aan het zwemmen. Hoewel de karpers zich vrij rustig hielden waren ze duidelijk aan het azen. Zo voorzichtig als ik gekomen was sloop ik achterwaarts van mijn stek af. Mijn hengel werd op enige afstand van het water opgetuigd en voorzien van een tonpennetje die ik met bladlood op de onderkant thuis al had uitgelood. Het aas zou door het ontbreken van verzwaring boven de haak, in de stroom zich uiterst natuurlijk gedragen. Als eerste wilde ik mestpiertjes die op twee plaatsen net onder het vel op de haak werden geprikt proberen. Met de hengel naderde ik de waterkant waar ik zover van af bleef, dat ik na mijn inworp net mijn pennetje kon zien staan. Het water dat met trage draaiingen uit het gemaal kwam, nam mijn te water gelaten aas mee in de stroom. Zo mee stromend hoopte ik dat mijn aas interessant genoeg werd bevonden door de vissen om het te consumeren. Na een aantal keren opnieuw het aas te water hebben gelaten verdween het pennetje tegen de stroom in onder water. Een zeelt, ik voelde het meteen na het haken. Voorzichtig zonder extra hard te trekken probeerde ik de vis van de stek te leiden. Om schrikreacties bij de karper te voorkomen bleef ik zo laag als mogelijk bij de grond. Eenmaal ver genoeg van de stek, landde ik de vis en onthaakte hem snel. Opnieuw kon het spel beginnen van stroom werpen, mee laten gaan tot en ruim buiten de stroom gekomen, ophalen en opnieuw in leggen. De karpers interesseerden zich niet voor mijn worm. Evenmin voor mijn maden en evenmin voor de broodvlokken. Na anderhalf had ik uur vissen nog steeds geen karper en de avond begon al aardig te kleuren. Mijn laatste hoop en toeverlaat werd aangesproken. In de directe omgeving zocht en vond ik een paar pissebedden en een exemplaar werd met secondenlijm op de haak gezet. Het liep bijna verkeerd af voor mijn vingers. Bij het open prikken van de tube kwamen mijn vingers ongezien in contact met de lijm. Net op tijd kreeg ik door dat het niet klopte en probeerde ogenblikkelijk de naald weg te werpen: tevergeefs. Met hulp van mijn "andere" hand kon ik net nog mijn vingers zonder verdere schade van elkaar krijgen. Foei, dat was schrikken, beter op letten voortaan. De pissebed werd wel onwrikbaar vastgezet en te water gelaten. Het leek alsof het nog voor het te water gaan van het diertje de beet al in zette, zo snel ging het. De pen vloog onmiddellijk weg en de lijn liep in een fractie van een tel strak. Aanslaan was bijna overbodig. Een weldadige dril van een sterke sportvis tegen het door de visser gehanteerde materiaal zette in. Een boerenkarper is naast een sterke, ook een snelle vis en dat werd door deze vis op een wijze gedemonstreerd die verbazing opriep. Meters lijn knalde van mijn molen terwijl de vis naar links van mij de vaart was ingegaan. Net toen ik de hengel iets hief en van plan was een aantal meters mee te lopen schoot hij alweer naar rechts. Het ging zo hard dat ik opnemen van de lijn op de molen bijna niet kon bijhouden. De zaak kwam met een klap weer onder spanning te staan en opnieuw werden er meters lijn van de spoel gescheurd. In mijn ooghoek zag ik de overige karpers met grote boeggolven op het water vertrekken. Het hinderde niet. Het liep toch al tegen donker. Na nog een aantal korte vluchtpogingen gaf de karper het op. Ik dirigeerde de vis boven het uitgestoken net, legde mijn hengel neer en hees de hele zaak in één keer in het zachte gras. Haak losmaken, wegen en snel weer terug. De vis zwom in zo'n rustig tempo weg dat het leek alsof hij niet doorhad wat hem net was overkomen.

    Na het opruimen van mijn materiaal groette ik de vissen, de vogels en de bloemen en beloofde morgen weer terug te zijn. Een visdiefje die zijn ronde over het water vloog, liet zich nog eenmaal met een geweldige plons in het water vallen. Voor zover ik kon waarnemen had hij zijn prooi gemist. Bij het verlaten van de polder klonk in de verte het zo herkenbare stemgeluid van de buizerd die daarmee zijn laatste jacht voor de nacht aankondigde. Het klonk tegelijkertijd als een lokroep. Een lokroep om vissertjes zoals mijn persoontje te laten genieten van de rijkdommen van onze prachtige polders.

    De Pen

    Voor reacties, aanvullingen of vragen kunt u een bericht plaatsen in de reactiebox

     
    Naar top van pagina
    © 1999-2007 Karperwereld Online. Alle rechten voorbehouden.      Disclaimer