Artikelen, Verhalen
Boerenkarper
Na mijn vorige schrijfsel heb ik een tijdje zitten na te denken. Het kriebelde diep van binnen om nogmaals iets over mijn karpervisserij via een artikel mee te delen. Nou wordt er geschreven over heel veel onderwerpen bij KWO. En doorgaands van een hoogstaande kwaliteit. Meestal gaan de artikelen over grote karpers, en alles wat daar mee samen hangt. Goede zaak natuurlijk, maar er is meer. Zoals het vissen op boerenkarper. Dat zijn geen buitenproportionele grote karpers maar ze bieden wel het spektakel en de romantiek waar een karpervissershart zoals het mijne naar kan verlangen. Het is mogelijk om zonder gedegen voerstekvoorbereiding meerdere vangsten in soms een aantal uren te realiseren. En als ze op het juiste materiaal worden gevangen zijn spectaculaire drils de visser zijn deel. Daarom wil ik iets vertellen van een zich jaarlijks herhalend deel van mijn voorjaarvisserij op karper. Zo vanaf 1 april, als mijn visserij op specimensnoek(baars) is afgelopen vanwege de gesloten tijd, start voor mij het voorjaar. En een deel daarvan vis ik gericht op boerenkarper. Naast mijn visserij op alle andere karper die ik beleef (deels al heb beleefd) in Nederlandse, Franse en Italiaanse wateren, is de jacht op boerenkarper in het voorjaar toch wel een van de toppunten. Waarom alleen voorjaar? Nou, dat is niet moeilijk te beantwoorden. De andere seizoenen zijn de karpers niet in de door mij beviste polders te vinden en dus ook niet te vangen.
Ze komen..
![]() |
| Karper in de planten. Vader en zoon in de problemen. |
Maar goed, terug naar mijn polder. Meestal zijn ze zo half april de karpers aanwezig. Veel hangt af van de temperatuur, maar zodra het water tien graden heeft bereikt en (het liefst) stijgende is, visiteren ze mijn viswater. Groepsgewijs trekken ze door de vaarten. Nooit in grote groepen maar ook vrijwel nooit alleen. Natuurlijk splitst een enkele vis zich wel eens af voor een korte (aas)periode, maar snel daarna zoekt hij toch weer de veiligheid van de groep. Soms ook "staan" ze op plaatsen waar vaarten elkaar kruisen of "staan" ze bij de uitmonding van een gemaal of molen volkomen passief te zijn. Ook zie ik ze vaak bezig onder de, in het ondiepe water in april al aanwezige, plantengroei. Ze zijn dan eigenlijk alleen te ontdekken tijdens aasactiviteiten waarbij het bewegen van de vegetatie, kleine kolkjes in het water en/of het opdwarrelen van modder een goede indicatie is.
Van begin april tot half mei tijd besteed ik heel wat uurtjes aan het opsporen, observeren en bevissen van de karper in de polder. Nadat ik de hele dag arbeidsstress heb lopen opstapelen, voelt het zo weldadig aan om mij 's avonds moederziel alleen in de polder te begeven om op zeer omzichtige wijze de karpers te vinden en te vangen. En het grappige is dat ik dan hele verhalen tegen mezelf kan houden over het wel of niet slagen van mijn doel. Een enkele keer levert dat ook wel eens komische taferelen op. Zo maakte ik een keer mee dat na een aantal avonden sluipen en kruipen langs het water de plaatselijke agrariër in gezelschap van twee stevige kerels dreigend kwam informeren wat ik daar elke avond aan het uitspoken was. Het heeft veel moeite gekost om de mannen te laten geloven dat ik visjes kwam kijken.
![]() |
| De Staalblauwe glans, een typische wildekarper kenmerk. |
De polderkarper in de omgeving van mijn woonplaats is ook erg gevoelig voor dergelijke aassoorten maar zoals ik heb ervaren, nog meer voor levend aas in de vorm van wormen, maden en de nauwelijks als aas bekend staande pissebedden. De eerste twee aassoorten bevestig ik op de gebruikelijke wijze aan een bijpassende haak. De laatste aassoort, de pissebedden, bevestig ik op een afwijkende methode. Een dunstelige haak maat 6 of 8, meestal model arendsklauw, tip ik even aan met secondenlijm waarna de pissebed met de rugkant eraan vast wordt geplakt. Gewoon op de haak prikken lukt niet erg doordat het beestje sterk gesegmenteerd is opgebouwd en bij het opprikken breekt. Met name karper die zich actief gedraagt, maar weigert de reguliere aassoorten te pakken verleid ik vaak wel met pissebedden. Het is een aassoort die verbluffende resultaten op kan leveren en ook relatief gemakkelijk verkrijgbaar is. Zoeken onder buiten staande stapels stenen, vuilnisbakken e.d. levert vaak al voldoende op voor een vissessie. Uiteraard zijn traditionele aassoorten als kruimige aardappel, roggebrood(met een beetje stroop), allerlei deegsoorten en brood ook zeer goede vangers. In de schemeruren van de avond kunnen de karpers in redelijke getale uitlopen voor de grote, langzaam zinkende of drijvende vlok en uiteraard broodkorsten. Het oppervlakte-aas-vissen is al zeer vaak bejubeld door liefhebbers. En terecht. Het is een manier van vissen die zijn gelijke niet kent, een manier die zoveel van de emotionele beleving van de visser kan vragen dat eigenlijk elke visser die voor het eerst met drijvend aas vist, zou moeten worden getest op zijn hartfuncties.
Soms zit tussen de boerenkarpers een schubkarper. Leuk om te vangen maar desastreus voor de stand van de boerenkarpers. Door vermenging tijdens de paai ontstaan karpers die de echte kenmerken van de wilde karper missen. Op den duur bestaat de kans dat de hele stand van echte wilde karpers hierdoor worden aangetast.
Materiaal
Hengels
![]() |
| Een 'edel'schub tussen de wilde karpers... |
Lijn
De lijn die ik gebruik is een normale nylonlijn op een dikte van 18-100ste. Geharde nylonlijnen(extra strong) gebruik ik bij dit werk nooit omdat die de nodige rek ontberen en daardoor sneller naar breuk leiden bij plotseling optredende krachtexplosies van de karper. Dyneema lijnen kunnen wel, maar vergen wel veel van de hengel omdat rek bij deze lijnen vrijwel tot nul is gereduceerd en daardoor de hengel het alleen moet doen. Juist die rek die gewone nylonlijn wel heeft, maken het samenspel tussen hengel en lijn waar geen enkele karper tegenop kan.
Pennen
Korte pennen die goed uit te loden zijn met maximaal 2 loodjes van 2BB voldoen mij uitstekend. Hoewel een pen gevist op de zogenaamde Engels methode vaak wordt gebruikt bij de karpervisserij, gebruik ik in de polder pennen die ik op de juiste diepte kan fixeren op de lijn, eigenlijk identiek aan het vissen met de dobber op de vaste hengel. De diepte van het water laat deze pennen uitstekend toe en een perfecte beetregistratie is gegarandeerd. Het aas naar de stek brengen levert ook geen problemen op gezien de afstand tussen visser en stek, krachtig werpen is nauwelijks van toepassing. Onderhandse worpjes of hooguit een voorzichtig uitgevoerde overhead worp volstaan. Na het inwerpen laat ik de lijn tussen hengeltop en pen meestal over waterplanten heen lopen waarmee wordt voorkomen dat er een bocht in de lijn ontstaat door stroom of wind. Zijn er geen planten dan steek ik na de inworp de top voorzichtig even onder water en trek de lijn door aan de molen te draaien onder water.
Haken
Over haken kan ik kort zijn. Voor korsten, broodvlokken en sommige levende aassoorten(maden b.v.) gebruik ik haken van het model arendsklauw en voor de overige aassoorten een haak met een iets langere steel en een mooie ronde bocht. Ze hebben me nog nooit in de steek gelaten. Ik kies de grootte van de haak van 4.0 tot en met 8.0. Uiteraard afhankelijk van de soort aas en de grootte ervan.
Overige
Verder heb ik altijd een lichtgewicht stoeltje bij me en een landingsnet waarvan de omvang is afgestemd op mijn prooi. Karpers van dertig pond hoef ik immers niet te verwachten. Een bescheiden tasje met wat klein materiaal en dat is het wel. Daarmee kan wat mij betreft het feest beginnen.
![]() |
Rijgen dag en nacht en dag aanéén
Gezworen kameraden
De mens en de natuur zijn een.
Op rustige momenten
Langs wuivend rietgewas
Een vissertje, een loos meneertje
Met zijn buit, uit een polderplas
Niets hoort of ziet hij van buiten
Hij is alleen, in volmaakt geluk
met zijn vis, voor even ontrokken
aan het water.
Zijn dag kan niet meer stuk.
Een (a)pril avond
De dagen strooiden merkbaar langer met het daglicht. Na mijn werk kon ik een aantal uren rondstruinen bij het water alvorens de duisternis de polder opeiste. Al een aantal dagen had ik boerenkarpers van een flink formaat geobserveerd in een sloot niet ver van mijn huis. Het bleek dat ze zo tegen de avond bijna voltallig gingen azen bij de uitmonding van een elektrisch aangedreven "watermolen". Een watermolen die elke avond een uurtje draaide, ten einde het waterpeil in de polder beheersbaar te houden. Een prachtige stek. Met maar een nadeel : aan de overkant liep een fietspad als een kronkelend lint door de landerijen recht op de vaart af en boog enkele meters voor het water recht tegenover de stek westwaarts. Fietspaden betekenen mensen. En mensen betekenen commentaar als je vist. Nou hou ik niet van mensen in mijn buurt als ik aan het vissen ben en al helemaal niet van (fiets)toeristen die menen hun kennis van het vissen te moeten demonstreren tegenover de natuurliefhebber die ernaast fietst. In het meest gunstigste geval blijft het bij flauwe grappen (uw worm heeft al een zwemdiploma hoor, ha, ha). In het beroerdste geval zijn ze een half uur niet weg te slaan met allerlei tips en wetenswaardigheden hoe ik meer kan vangen. Maar deze keer niet, hoewel het eindelijk echt voorjaarsweer was, waren er geen fietsers onderweg. Mond-en-klauw-zeer had toegeslagen waardoor het fietspad was afgesloten.
Het grasland droeg aan zijn oever een gele deken van bloeiend hoefblad. Weidevogels als de kievit, de grutto en ook de scholekster lieten na het verstrijken van een doodstille winter ferm van zich horen. Door de uitbraak van de mond-en-klauwzeer-crisis dit voorjaar bleef het vee bij de boer op stal. Een bizarre ervaring. De weilanden lagen er prachtig bij, klaar om te worden begraasd. Maar er liep helemaal geen vee in het land. Het deed me denken aan een mislukt schilderij: het oogt prachtig maar het "leeft" niet. Groen Nederland, geveld door een veeziekte en door Europese regelgeverij.
![]() |
| Mijn laatste hoop, pissebedden. En? Bingo! |
Na het opruimen van mijn materiaal groette ik de vissen, de vogels en de bloemen en beloofde morgen weer terug te zijn. Een visdiefje die zijn ronde over het water vloog, liet zich nog eenmaal met een geweldige plons in het water vallen. Voor zover ik kon waarnemen had hij zijn prooi gemist. Bij het verlaten van de polder klonk in de verte het zo herkenbare stemgeluid van de buizerd die daarmee zijn laatste jacht voor de nacht aankondigde. Het klonk tegelijkertijd als een lokroep. Een lokroep om vissertjes zoals mijn persoontje te laten genieten van de rijkdommen van onze prachtige polders.
De Pen







