Artikelen, Verhalen
Herinneringen aan de polder
Laurens Maasland
Deze geschiedenis begint, omdat hij tenslotte ergens moet beginnen, bij een landkaart. Jawel, een landkaart. Een nauwkeurig door mij bestudeerde landkaart, voortkomend uit de drang naar het opzoeken, het vinden van onontgonnen visgronden. Het heeft er uiteindelijk voor gezorgd dat dit verhaal nu voor jullie neus ligt, smachtend te wachten op zijn lezers.
![]() |
De polderwetering waar de grote schub nog steeds zijn rondjes trekt. |
Deze landkaart van de Alblasserwaard verklapte aan mij dat er vele, mooie lange weteringen door ons fraaie polderlandschap lopen, op hun beurten aangesloten op vele zijslootjes die de respectievelijke percelen vormen. Dit alles omringt door niets anders dan weiland, riet, wat lelies en vele koeien. Fraai, heel fraai is dat allemaal, een gecultiveerd landschap dat in mijn ogen desondanks toch grenst aan de pure natuur. Een werkelijk ideaal décor, waar later nog vele ingrijpende gebeurtenissen zouden plaatsvinden, die ik voor geen goud had willen missen en nog steeds een apart plaatsje in mijn karperhart hebben.
Een oersaaie verjaardag in m'n ouderlijk huis spoorde mij, m'n broer en een neefje aan om op die mooie zomerdag eens een kijkje te gaan nemen. Het was het begin van een lange fietstocht, maar ook van een episode waar ik mijn herinneringen aan de polder aan te danken heb. Een fietstocht die ik later, gedreven als ik was, nog vaak zou ondernemen. De eerste indruk was overweldigend, het was precies zoals ik me het voorgesteld had en de boeren bleken ook zeer vriendelijk te zijn. Het eerste weiland dat we betraden leidde ons naar een prachtige kruising waar we tot onze verbazing onmiddellijk zonnende karpers zagen liggen, als donkere schaduwen lagen ze daar roerloos van het zonnetje te genieten. Ons uitbundige gedrag en gestamp op de drassige oevers verraadde echter direct onze aanwezigheid aan de beschubde vrienden en ze namen wijselijk de benen. Al die eerste observatiedag werden mijn vermoedens bevestigd dat er ook grotere karpers hun rondjes moesten trekken, een grote donkere schim zwom even later rustig en nietsvermoedend voor onze voeten langs, waardoor het fanatisme hoog oplaaide, het hek van de dam was. Achteraf hadden we geluk meteen die plek te treffen want er bleek regelmatig karper aanwezig te zijn, hoewel dat water toch erg lang was.
![]() |
Als veertienjarige karpervisser kijk ik hier
|
gebiologeerd naar mijn overwonnen prooi uit de polder.
|
De eerste sessie
Ik kan het me nog tot in de puntjes herinneren, die eerste visavond. Het was een warme periode. Ook de bewuste avond was een warme, zwoele zomeravond, een avond vol beloftes, zowel aan mezelf als aan moedertje natuur. Aan mezelf dat ik nog vaak zou gaan vissen in dat paradijsje en aan moeder natuur dat ik haar breedlippige karperinwoners met het uiterste respect zal behandelen. Die avond zou echter al meteen het noodlot toeslaan. Na een lange fietstocht door het polderland, gedeeltelijk langs een prachtige langgerekte en begroeide vaart, kwam ik aan bij het water. Het eerste wat me opviel was dat er beweging uit de lelies aan de linkerkant kwam. Een geoefend vissersoog bedot je niet en na een tijdje gekeken te hebben kwam ik tot de conclusie dat er duidelijk een karper bezig was, hoog in het water allerlei lekkers van de leliestengels aan het plukken. Het was een vrij kansloze situatie wat betreft een mogelijke dril, maar tegen beter weten in beaasde ik de haak met een kruimige aardappel en sloop richting de plek. De karper zat nu ergens bij een opening tussen de lelies. Hij (?) liet af en toe zelfs een deel van zijn rug zien, over natuurlijk gedrag gesproken! Door een vrij gelukkige worp belandde het spul in de opening van de onderwaterjungle. Ik maakte me onterecht meer druk over het haken van de vis dan over het gevecht dat mogelijk komen zou. De spanning steeg met de minuut en de wellingen kwamen vlakbij de pen vandaan nu. Na enkele ogenblikken was de pen weg. Hengel achterover en het spel van geven en nemen was begonnen, tenminste dat dacht ik. Er volgde meteen een krachtsexplosie van jewelste, het water ontplofte en de hengel werd woest kromgetrokken. Ik en mijn hengel bleken echter niet tegen de situatie en de immense kracht van de patser opgewassen en enkele seconden later maakte een brekende lijn een einde aan mijn dromen en illusies. Ik was verslagen en voelde me plots erg oud, me op hetzelfde moment beseffend dat ik ook geen reserve pennetje bij me had. Nu voelde ik toch al niet de behoefte om door te vissen aangezien de kans van de avond al verpest was en begaf me maar huiswaarts om daar mijn huilende geweten verder te sussen.
![]() |
Deze laatste poldertorpedo verblijdde mij onder het motto: klein maar fijn! |
Tot overmaat van ramp zou ik er enkele dagen later alweer eentje kwijtraken, wat als volgt ging. De illustere polderbewoners hadden nog al eens de neiging uitbundig gedrag te vertonen wat ook aan de visser niet onopgemerkt voorbijgaat. Zo ook op die avond. Aan een iets minder lelierijk gedeelte van het water zag ik beweging. Daar zwom warempel een groepje karpers van bescheiden afmetingen, het was me trouwens toch al opgevallen, dat zoals het een verwilderde populatie betaamt, er zeer veel kleintjes zwommen. Schubs van zes tot veertien pond, zo te zien. Ook de karper(tjes) die ik nu zag waren klein. Het schouwspel was toch verleidelijk genoeg om er een poging aan te wagen, dat zeker wel. Wie het kleine niet eert is het grote niet weert, spookte het door mijn hoofd toen ik een haak voorzien van een kruimige pieper tussen het groepje gooide. De pen kreeg niet eens kans zich op te richten want hij was gelijk verdwenen, over instant respons gesproken! Daarop volgde een triomfantelijke aanslag, op zijn beurt gevolgd door een woest schubje die onmiddellijk besloot de lelies in te duiken. Na veel geworstel in de lelies leek de zaak onder controle, echter schijn bedriegt, zeggen ze wel eens. En dat gold ook op deze visavond toen de plusminus tienponds schub, die hopeloos aan de oppervlakte lag tussen de plompen, besloot me te verlaten en de haak zijn houvast verloor in de karperbek. Teleurgesteld viste ik verder die avond en wist verder geen karper meer tot een aanbeet te verleiden. Waren dit tekens aan de wand? Was dit een sein, een teken, een boodschap dat ik weg moest blijven uit dit paradijs? Wellicht wel, ik was echter niet meer te stoppen en was enkele daagjes nadien weer ter plekke. Vurig hopend op een herkansing, een nieuwe kans. Die ook komen zou!
Zoete maïs zou die avond de truc moeten doen. Het was nog altijd erg warm die periode, maar het in verte hangende zwarte wolkenpak voorspelde onheil, waar de natuur ook wel aan toe was. En na een afwezigheid van enkele weken liet plots een extreme regenbui van zich van zich gelden en na de harde stortbui was de warme avondtemperatuur iets gedaald. De regen was gelukkig net zo snel weg als ze gekomen was en de lucht was snel weer helder. Er zou wel lekker veel zuurstof in het water zitten nu. Het was trouwens toch een prachtige avond na die bui, met een mooi ondergaand zonnetje die de lucht en het landschap prachtig verkleurde. Door, in dit geheel voelde ik mij opgenomen, één geworden met de natuur, intens genietend van een prachtige zonsondergang. Daar zat ik dan, gedreven door een innerlijk verlangen. Daar zat ik dan, met dat verlangen, door velen gedeeld doch door een ieder op zijn eigen manier beleefd. Dit was in ieder geval wel mijn manier van beleving en na een dromerig moment strooide ik snel wat handjes maïs naast wat lelies bij een bruggetje. Mezelf afvragend waarom ik ogenschijnlijk de enige was die hier regelmatig viste. Veel tijd om na te denken kreeg ik alleen niet want even later verscheen er een groot bruisplakkaat. Er was duidelijk karper aan het azen en van rechts naderde er ook nog een bellenspoor. De vis was duidelijk los, de spanning was te snijden. Dit was karperen van de hogeschool wat gepaard gaat met een snel stijgend adrenaline gehalte. Er moest gewoon elk moment een aanbeet volgen. Een schokje op de pen, hij ging plat en dook onder, een niet te missen aanbeet en de hengel vloog achterover. Na een worstelende dril door de lelies, die ik na enkele hachelijke momenten gelukkig in mijn voordeel kon beslechten, kon mijn geluk niet op. Dolblij was en ben ik met een dikbuikig schubje van zeven pond. De eerste was binnen en de passie voor het water welde, bloeide in mij op. En tot op heden is dat water, buiten de lage boezem, het enige water waar ik ooit een ware liefde voor heb gekend. Het was ook die avond dat ik HEM zag zwemmen, zomaar enkele meters uit de oever. Een abnormaal grote schub met een opvallend donkergrijze tint. Een vis die ik hoogstwaarschijnlijk al eerder had zien zwemmen en door mij later gedoopt zou worden tot "de grote schub". Buiten deze reus zwom er minstens nog één andere kanjer. Een spiegel van goed in de twintig. Beide vissen heb ik meermaals zien zwemmen in een bepaald gedeelte en zij vormden buiten de prachtige natuur en de rust mijn voornamelijkste motivatie om terug te keren. Er zouden geen vangsten meer volgen en langzaam kwam het najaar om de hoek zetten.
![]() |
Het afstandsvissen begon de penvisserij langzaam maar zeker te verdringen. |
Wat er toen, op een oktoberdag gebeurde zal ik nooit meer vergeten. Het was een vrij rustige middag en ik nam plaats op mijn favoriete, maar gevaarlijk plekje waar er een grote dikke leliebocht ligt. Eindelijk zat ik er, in m'n sas, blij om aan het water te zitten. Altijd op mijn eentje, alleen zonder eenzaamheid. Genietend van het vissen, ook al had ik inmiddels al lange tijd niks gevangen. En genieten hoort ook, als je puur voor de vangst bezig bent gaat de lol er snel af en dan is het onherroepelijk over.
O ja, de boerderij, de tractor tuft voorbij. Ik groet hem, hij groet mij. Blij met het wederzijdse respect begin ik wat te vissen in de hoop dat er nog vis in de sector aanwezig is. Na al een uurtje niks gezien te hebben gebeurde er iets. Twintig meter naar links sprong hij, zonder enige twijfel de grote schub, in volle glorie en weinig bescheiden het water uit. Ongelofelijk wat een reus, zeker voor die tijd toen een lage twintiger mijn grootste vis ooit vertegenwoordigde. Dit exemplaar zou daar ruimschoots overheen gaan en ik besloot logisch genoeg te blijven zitten. Ik denk dat er tien minuten verstreken waren voordat hij aanbeet. Een fraaie wegloper was het gevolg en ik sloeg aan. Onmiddellijk vouwde de hengel zich dubbel en de vis scheerde onhoudbaar langs de lelierand. Een lichte paniek overviel me door het brute geweld waar ik mee te maken kreeg, dit kon niet goed gaan, dacht ik. De slip van het arme molentje gierde het uit en voordat de vis zich in de leliebocht boorde zette ik maximale kracht en de machtige vis kwam even boven. Zijn indrukwekkende flank tonend op ongeveer twintig meter van mij vandaan. Ik wist wat er op het spel stond en verbeten hing ik in de hengel. Toen pas besefte ik dat ik waarschijnlijk aan het kortste eind zou trekken en een memorabele reeks beuken en rammen op de hengel, alsmede een nog immer roterende molenspoel indiceerden dat de gigant zich steeds dieper in het reddend groen begroef. De lijn liep helemaal in een boog naar de vis en ongelofelijk, aan de kolk in de lelies zag ik waar hij al zat. Na een dood moment voelde ik een nieuwe klap op de hengel en het was over en uit. Het contact was verbroken en het laatste restje hoop was verdwenen. We waren er allebei pissig om. De vis, om de chemisch geslepen haak in zijn bek, even daarvoor met een ferme haal (maar toch uit liefde, ik weet het, dit klinkt ongelovig) door het vlees getrokken. En ik, om de nieuwe zeer diepe kerf in mijn op dat moment zo getergde vissershart. Ik vervloekte alles om me heen en probeerde door te vissen. Met bevende handen wist ik met een nieuwe haak en een aasje de op de plek van de geleden rampspoed bovengekomen pen naar met toe te halen om aan een nieuwe poging te beginnen. Nog geen half uur later dook de pen onder en weer ging alles mis. De gehaakte karper vluchtte en toen maakte ik een domme fout. De hengel stond door de dichte slip een moment hoepelrond en ik draaide de slip te snel open. De slip gierde en gelijk stond alles in de klit. Het verschrikkelijke vogelnest op de molen verhinderde dat ik draad kon afgeven en de woedende karper liet het nylon hard knallen terwijl het brak. Het huilen stond me nu echt nabij maar door de extreme woede en frustratie gebeurde dit niet. Maar goed, wellicht ken je dat gevoel wel. Ik wens het in ieder geval niemand toe.
![]() |
Een fraaie midtwintiger als bewijs dat ik niet voor niets andere oorden opzocht. |
Tot slot
Terugkijkend op die tijd besef ik dat ik eigenlijk ontzettend veel vis verspeelde, meer dan goed was voor mijn kwetsbare geweten. Bovendien kwamen er in de loop van de tijd veel dichter bij huis nieuwe uitdagingen bij met een realistischere kans op biggen. Het afstandsvissen begon het pennen langzaam te verdringen en op de achtergrond te plaatsen. Het resultaat hiervan is dat er tot op heden geen hernieuwde kennismaking zou plaatsvinden tussen mij en de grote schub. Teleurgesteld, vraag je? Wel, in mijn herinneringen leeft hij nog altijd voort en ik denk nog vaak aan hem. Waarschijnlijk is hij mij al weer vergeten, maar dit geeft niet. Ik weet namelijk dat ik dit jaar bij het doorzetten van de lentezon en het opbloeien van de natuur weer zin ga krijgen in de jacht naar deze gigant. Hij zal het me waarschijnlijk niet in dank afnemen, maar ik weet zeker dat ik er weer ga vissen en daarmee weer kans maken op deze oude polderbuffel, dit wonderlijke schepsel van de natuur. Ik weet wel dat de dag waarop ik hem vang, een historische dag zal zijn, een mooie dag die ik nooit meer zal vergeten. Tot dan aan toe zal de vis slechts een hoofdrol spelen in mijn meest fantastische dromen. En ook dat is mooi, totdat je ontwaakt en de realiteit je ontnuchterend aanstaart. Maar zolang er hoop is, is er vertrouwen. Vertrouwen op het kruisen van de paden, de paden van mij en de grote schub……
Met dromende groet van Laurens Maasland.
Voor reacties, aanvullingen of vragen kunt u een bericht plaatsen in de reactiebox







