Home  |  Contact  
 

Artikelen, Verhalen


De Rijen


Devlin van Vorselen



Zo aan het begin van het betere weerseizoen leek het een aardig idee om een stuk te schrijven over de visserij die mij de afgelopen twaalf jaar zo waanzinnig heeft weten te boeien en die dat naar alle verwachting ook tot in lengte van dagen zal blijven doen.

De Parksloot waar het verhaal zich afspeelt.
De Parksloot waar het verhaal zich afspeelt.
Struinen

Ik bedoel daarmee het struinen, het opzoeken van de vis en het pas belagen van een vis wanneer je hem ook daadwerkelijk hebt waargenomen. Dit in tegenstelling tot de vastlood visserij, waarbij vaak op grote afstand wordt gevist en waarbij meer gewacht wordt totdat een vis langs de voerplek komt. Begrijp echter wel goed, dat ik geen tegenstander ben van de vastlood systemen en de rodpod set ups. Sterker nog: ik vis zelf ook vaak op die manier. Wanneer het echter wat warmer begint te worden zo rond begin april, dan gebeurt er iets in mijn lijf, waardoor ik als het ware gedwongen wordt de rodpod zoveel mogelijk in te wisselen voor mijn grote vriend, de Schreiner Special Heavy glasstok. De herinneringen en ervaringen die ik zo dadelijk aan het beeldscherm toevertrouw, zijn geen dikke-vissen-verhalen over grote wateren. Het zijn opnieuw beleefde fragmenten uit mijn karpervisserij van de afgelopen jaren, die juist de intieme sfeer van parksloten en kleine cultuurwateren bevatten. Ik hoop dat ik erin zal slagen die sfeer en beleving over te brengen op jullie als lezer…

De Parksloten

Slingerend door de wijk waar ik woon, loopt een heel stelsel van prachtige parksloten van zo'n meter of tien breed. Hier en daar, waar meerdere sloten bij elkaar komen, zijn wat bredere stukken te vinden met meestal een eiland erin. Langs de oevers zijn lage rietkragen te vinden. De mooiste stukken van deze grachten zijn de stukken waar grote wilgenstruiken langs de kant staan, met hun grote bladermassa's die loom over het water hangen. Op één van die begroeide stukken is mijn karpervisserij begonnen. Volgens mij op een manier zoals bij zovele karpervissers: weer een brasemtuigje verspeeld! In tegenstelling tot wat tegenwoordig veel schijnt voor te komen, was het niet direct een mega investering in dure hengels, rodpod, Delkims en fluoriserende knikkers. Nee, ik heb met mijn gespaarde geld en wat goodwill van oma een Karperhengel gekocht met een eenvoudig molentje eronder. Mijn gedachte: de volgende karper die er nú aan komt kan ik eruit krijgen. Ik bleef lekker pennen op brasem met mijn zelfgemaakte deegjes. Niet meer met de vaste stok op de uitgestrekte graskanten, maar met een heuse karperhengel vanaf de tussen de wilgenstruiken verstopte stekjes, vaak hooguit twee tot drie meter uit de kant. Hetgeen te verwachten was, gebeurde ook: ik haakte mijn eerste karper! Maar liefst 74 cm! Wat een apparaat. Trots als een pauw naar huis en tegen mijn ouders vertellen. Die konden het nauwelijks geloven (een fototoestel bood jaren later uitkomst voor de ongelovigen). Ik zou nog zeker een jaar blijven vissen op alles wat maar mijn deeg van een haakmaat 4 wilde snoepen en in die tijd nog een paar karpers bijvangen. Daarna kwam de ommezwaai en wilde ik alleen nog gericht op karper vissen.

De Rijen, een vis die mij maar bleef achtervolgen.
De Rijen, een vis die mij maar bleef achtervolgen.
Ondertussen was ik al een paar keer aan de praat gekomen met wat nu mijn vismaat en tevens beste vriend is: Roy Vink. Die jongen had wel erg interessante spullen langs de waterkant staan: maar liefst twee hengels, Optonics die piepten als je beet had en ook nog een verschrikkelijk groot net. Zo'n net zag ik ook wel zitten, want ik had gemerkt dat mijn klapnetje toch eigenlijk wel een krapnetje was voor een beetje karper. Roy heeft me gaandeweg veel geleerd over het karpervissen zoals hij dat deed: met tubelood en 'boilies'. Ik heb avonden en middagen bij hem zitten kletsen. Toch bleef ik lekker met de pen vissen. Ik had toen al zoiets van: waarom zou ik hier met mijn aas liggen als de vis dáár zwemt. Toch hebben we na verloop van tijd een fiks aantal zomeravonden samen doorgebracht vanachter onze steunen met buzzerbars en Optonics. Het verschil in onze visserij bleek snel: Roy was meer de man voor 'de stokken', zoals wij dat noemen, en ik was meer de freubelvisser tussen de struiken.

'De Rijen'

De eerste keer dat ik De Rijen ving, was op een warme zomeravond, toen ik met twee hengels en tubelood aan het vissen was op mijn voerstek van drie dagen. Welgeteld 31 eenden zwommen over mijn stek en probeerden mijn boilies en hennep te pakken te krijgen. Toen ze na een paar uur eindelijk alle drijvende hennepdeeltjes op hadden en mijn boilies met rust lieten, was mijn vertrouwen volledig weg. Toch klonk opeens het krakende en piepende geluidje van een overjarige Optonic. Na een mooie dril bleek het een schitterende rijenkarper te zijn van 19 pond. De foto's met een oud toestel van mijn ouders zijn helaas mislukt. Later zou ik toch nog 7 keer op de foto staan met deze schitterende vis.

Een aantal jaren later op een mooie zomernamiddag: op de fiets langs het water. Langs mijn favoriete uitkijkposten tussen de struiken en bomen, van waar vandaan ik de hoogzwemmende karpers kon bekijken. Alleen die aanblik was al fantastisch. Ik zag het al helemaal voor me hoe zo'n enorme bek met veel geslurp mijn korst van de oppervlakte zou pakken. Maar vissen zou er niet inzitten die avond. Ik moest nog eten en na het eten zou mijn vriendin langs komen. Thuis gekomen kon ik geen rust vinden. Ik zag constant weer dat groepje vissen rondzwemmen. Eén van die vissen was aanzienlijk groter dan de rest en dat kon wel eens een twintiger zijn. Toen ik me dat realiseerde was het idee dat ik nu niet kon vissen helemaal ondraaglijk. Ik had echter een plan: als ik nou eens zou vragen of mijn vriendin mee zou gaan ("Hooguit een uurtje maar, kun je op mijn stoeltje zitten en een boek lezen! Is toch heerlijk"?). Ik móest namelijk vissen, anders werd ik gek. Toen ze aangaf wel mee te willen, verkeerde ik in een geluksroes. Mijn oude viskleren aan en met hengel, rugzak, net en een paar sneëen brood naar het water. Mijn vriendin had zich achter de struik, uit het zicht van de karpers (die er gelukkig nog lagen) op mijn stoeltje genesteld en begon wat te lezen. Ik monteerde een hele snee brood aan mijn haak (kleine korsten pakten ze niet meer) en liet het geheel vervolgens heel voorzichtig op het water zakken, zo'n twee meter uit de kant en een meter links van de overhangende takken vóór mij. Als ik wat zou haken, moest ik waarschijnlijk het water in!
Let op de watergrens op mijn kleren...
Let op de watergrens op mijn kleren...
Uitgerekend de kleinste vis van het groepje, een schubje van een pond of acht toonde na zo'n vijf minuten interesse en kwam langzaam op mijn snee brood af gezwommen. Met ingehouden adem spiedde mijn ogen het water af, op zoek naar die mogelijke twintiger die ik eerder die dag had zien zwemmen. Ik stond voor een dilemma: deze kleine schub zou ik zeker vangen als ik niets deed. Dat zou wel betekenen dat mijn kansen voor die avond verkeken waren om die veel grotere vis te vangen. Het drillen van die kleine schub zou alle andere vissen verjagen. Wat nu? Haak eruit slaan en het brood laten opvreten? Was een idee. Dan zou ik wel wachten op die grotere en later alsnog een korst mét haak te water laten. Het uitwijken naar plan B was echter niet meer nodig: mijn aandacht ging van mijn snee brood en het naderende schubje ineens naar een grote, donkere schim, die rap van links dichterbij kwam. Ineens realiseerde ik me, dat dat die grote vis moest zijn die ik eerder die middag had gezien! Ineens zag ik ook dat het De Rijen was: ik herkende het schubbenpatroon. Met stomme verbazing zag ik vervolgens, dat De Rijen de kleine schub, die inmiddels al voorzichtig aan mijn korst begon te zuigen, letterlijk opzij duwde en met een paar enorme happen en luid geslurp de hele snee brood naar binnen werkte. Binnen een paar tellen was mijn brood weg en zwom De Rijen naar rechts om de overhangende (en tot op de bodem reikende!) takken heen. Mijn vriendin schrok zich vervolgens helemaal lam. Al die tijd had ze een anderhalve meter achter mij gezeten en nu stond ik ineens tot over mijn middel in het water.
Ik moest wel. Ik kon hem anders nooit vangen. "Heb je beet?". Die vraag is haar vergeven. Steunzoekend met volgelopen laarzen (en broek, en shirt) op de glibberige kleibodem probeer ik De Rijen naar me toe te krijgen. Gelukkig kan ik nu met de hengeltop voorbij de in het water hangende struik komen en loopt de lijn in elk geval geen gevaar. Na een paar felle uithalen weet ik hem links van mij te krijgen, uit de gevarenzone. Inmiddels geeft een vriend, die me vanaf de overkant had zien staan worstelen en begreep dat ik mijn net op de kant had laten liggen, me mijn net aan. Op zo'n moment ben je ook blij, dat je isolatiefoam om de armen van je net hebt gemaakt, zodat je het op het water kunt laten drijven. Gelukkig heb ik maar één poging nodig om Mijn Rijen (ik had hem inmiddels al vijf keer eerder gevangen en sommigen noemden deze vis "Devlins Rijen") te scheppen. Nadat ik bijna helemaal onderwater verdween, doordat ik uitgleed op de steile, gladde kleibodem, kon ik mijn net op de kant hijsen en met gepaste trots aan mijn vriendin laten zien waarom ik nou zo nodig moest vissen die avond. Na de foto's, op weg naar huis, genoot ik intens van al die niet-begrijpende blikken van mensen op straat, toen ze naast de mooiste vrouw van de hele wereld één of andere idioot als een verzopen kat voorbij zagen fietsen.

Voor reacties, aanvullingen of vragen kunt u een bericht plaatsen in de reactiebox
 
Naar top van pagina
© 1999-2007 Karperwereld Online. Alle rechten voorbehouden.      Disclaimer