Carp Headquarters

Door: Aad van Erkel

Het zal geweest zijn in het najaar van de jaren zestig toen er op mijn werk behoefte ontstond aan extra werkkrachten, die zoals te doen gebruikelijk door een uitzendbureau werden geleverd.

Onder hen bevonden zich een flink aantal Ieren en Engelsen die voor korte of langere periode in Nederland hun brood trachten te verdienen. Tussen de middag was het altijd een dolle boel, verhalen uit Ierland over de Highlands, aangedikt met smeuïge details over het leven daar, de armoe, het vertier en de vrouwen. Bij al dat Ierse geweld konden de Engelse natuurlijk niet achter blijven, en ook die verhaalden uit het eens zo machtige Great Britain, de havens met hun dokken, de voetbalclubs uit Manchester en de eens zo grote Engelse kolenmijnen en natuurlijk het karpervissen in de befaamde Engelse karperputten. Onder hen bevond zich er ook een die al dat gedoe rustig over zich heen liet gaan en meestal stil achter een Hollandse bak koffie zat te luisteren. Het werk lag nogal buiten Rotterdam en de meeste kwamen dan ook met de trein naar Berkel, want daar bevond zich naast de Bloemenveiling ons werk, op een dag vroeg John, want zo hete de rustige Engelsman, of hij misschien met mij mee kon rijden, het regende nogal en het idee om helemaal naar de trein te lopen stond hem kennelijk niet aan, onderweg in de auto, lekker achter glas en met het kacheltje aan in de kever, kwam ook John tot leven, hij bleek uit Wales te komen en een verwoed karpervisser te zijn, vissen deed ik in die tijd ook wel, maar meer met een vaste hengel en een dobbertje gewoon op witvis, dat karperen was meer iets voor specialisten, dacht ik.

Aad met twee mooie karpers uit de goede oude tijd Vanaf die dag reed John dus iedere dag met mij mee en al snel raakte ik ook geïnteresseerd in dat rare karpergedoe, nieuwe hengels, twee stuks werden onder zijn toeziend oog gekocht, flinke jongens maar met een boterzachte actie, anders kon je, zei John, er geen aardappel mee wegzetten, twee mooie molens, een setje steunen en nog wat klein spul, een flinke paraplu en een pack-a-seat, een soort rugzak en tegelijk een stoeltje en ook een net moest er komen, want het net dat ik gebruikte was veel te klein, zo werd geoordeeld en dus verruild voor een net waar je volgens mij op zee achter een trawler geen gek figuur mee zou slaan. Ik vond het allemaal maar geheimzinnig en ook wel een beetje raar, zoveel troep, moest dat echt allemaal om een karper te vangen? Onder het eten werden plannen gesmeed om de juiste plek te vinden, waar wij ook s'nachts, vooral s'nachts zei John doen ze het goed, konden vissen zonder bang te zijn te worden betrapt. De keuze viel toen, nogal voor de hand liggend, op een flinke plas waar wij met de auto iedere morgen en middag langs reden, met langs drie kanten bomen en struiken en aan een kant goed bevisbaar, zo leek ons. Na wat informeren bij de plaatselijke witvissers bleek het om een oud natuurzwembad te gaan, een meter of hondervijftig lang en een meter of tachtig breed, kijk daar, zo vertelden een oude visbaas, daar was de duikplank en daar, zo wees hij, daar was het kinderbad, de paaltjes staan er hier en daar nog, het behoort toe aan een hengelsport vereniging uit Berkel, dus daar moeten jullie eerst lid van worden. De diepste plekken waren rond de vijf meter maar het merendeel rond de twee. Zo gezegd, zo gedaan, met de vergunning op zak en vol verwachting zijn wij toen maar eens goed gaan kijken en het overtrof onze stoutste verwachtingen, je kon, als je erg je best er voor deed, rond de plas lopen, waarbij het direct opviel dat er aan drie zijde volop riet aanwezig was, met hier en daar een opening, gevist werd er aan deze kanten bijna niet, je kon er dan ook bijna met je spullen niet komen, als je goed keek, kon je op sommige plaatsen de vis zien zwemmen, wat een beesten, hoor ik mij nu nog denken, moesten we dat gaan vangen? De stek werd gekozen naast een half in het water gevallen boom en een rietkraag, zo konden wij naast elkaar, maar toch niet op elkaars lip, vissen en dichtbij genoeg dat, mocht er iets bijten, wij elkaar konden helpen.

Thuis werden er repen aluminium folie geknipt en lege jampotten klaargezet, aardappels gekookt en vers brood in hapklare brokken gesneden, koffie en natuurlijk thee gezet voor in de thermosflessen, brood met gebakken ei en ham gesmeerd, wat een zooi en dat allemaal voor het vangen van een karper!
Nu zou het dan eindelijk gaan gebeuren, na weken van verhalen kon ik bijna niet meer wachten op ons eerste visuitje, tegen de avond, na het werk op vrijdag de hele santenkraam in de auto geladen en gewacht tot John er was, op weg naar de plas, het oude kevertje barsten bijna uit zijn voegen, het begon inmiddels al te schemeren. Aangekomen de boel uit de auto en al puffend en zwetend alles naar de stek gesleept en begonnen met optuigen van de hengels, John was natuurlijk allang klaar en had ook reeds ingeworpen toen ik net mijn eerste haak aan de lijn had bevestigd, voor niets zoals al snel bleek want in Engeland werd dat iets anders gedaan, dus haak er weer af. De toen gebruikte montage was als volgt:
Eerst een elastiekje op de hengel schuiven in een positie vlak voor de molen. Dan de lijn door de ogen met aan het einde een loodstopper op ongeveer dertig cm van waar de haak moest komen, daar werd simpel een lus ingeknoopt. Aan een onderlijntje van nog eens dertig cm werd ook een lus geknoopt met aan het andere eind de haak, nu werd er door de aardappel, met een fleurnaald, de lus met aan de andere kant de haak voorzichtig door de aardappel getrokken, eventueel met een stukje van een rietje tegen het inscheuren. Onder de haakbocht werd een stukje gras gestoken die moest voorkomen dat de hele aardappel zonder tuig het luchtruim zou kiezen. Dan werd er over de lus van de hoofdlijn een arlessybomb van een gram of 20 geschoven, waarna het hele gebeuren aan elkaar werd gelust. Zover de montage, ik had er in die dagen nog nooit op die manier mee gevist, ook het ingooien of moet ik zeggen het inwerpen bleek een kunst apart, te zacht ingeworpen en de aardappel lag praktisch onder je voeten, te hard ingeworpen en het hele spul scheiden zich van de aardappel binnen vijf meter. Maar aldoende leert men en uiteindelijk lag ook mijn spul op de juiste plek in het water, een meter of tien van de omgevallen boom. De lijn werd strakgetrokken en voor het startoog en net na de molen onder het elastiekje geklemd, nu nog een rolletje aluminium folie tussen startoog en molen hangend in een jampotje en het feest kon beginnen.

De bedoeling, zo legde mijn Engelse vriend uit, was dat de karper de aardappel zou verorberen waarna het schuiflood en de lijn onder spanning de vis zou haken een run zou volgen en je aan de hand van de in de lijn hangende folie kon zien of hij bij je wegliep of juist naar je toe. Niet te snel de hak zetten was zijn devies pas als de lijn door de vis onder het elastiek was uitgetrokken, beugel dicht, ja dat ding moest open staan en dan rustig aanslaan. , Ik geloofden er niets van, hoe zou zo'n slimme vis als de karper verondersteld werd te zijn, zichzelf nou haken haken, dat kon gewoon niet, maar ja ik had a gezegd en moest dus ook b zeggen. Er werd na een half uurtje wachten wat aardappelkruim bijgevoerd en links en rechts van ons kon je de karpers horen springen. Vooral die eerste paar nachten was erg spannend vond ik, samen met een maatje helemaal in het donker iets doen wat toen eigenlijk niet mocht, met als enige geluid het slurpen van karper aan de oppervlakte en af en toe een sprong. Na twee koppen koffie en een broodje besloot ik maar eens een plasje te doen en dat had ik beter niet kunnen doen, nog niet was ik opgestaan toen ik een wat droge tik hoorde en zag dat mijn aluminium folie tegen mijn hengelblank aan het stuiteren was, nog niet geheel gewend aan dit soort vissen greep ik mijn hengel en sloeg, voor het gemak vergetend dat de beugel natuurlijk nog open stond waardoor ik met hengel en al achteruit in de bosjes belanden, mijn eerste losschieter was een feit.

Nog geen twee tellen later was het John zijn rechter hengel die een teken van leven begon te vertonen en ik zal u zeggen ik zag het gebeuren maar ik kon mijn ogen haast niet geloven, de aluminium folie viel dan weer bijna op de grond om de volgende seconde tegen de blank aan te knallen, beugel dicht zei John, wachten tot de lijn zich strekt en dan de haak pas zetten. Waarschijnlijk niet gehinderd door gigantische hoeveelheden lood nam de karper een meter of veertig lijn voor hij keerde en terug onze kant opzwom, diep in het water waar hij steeds weer op volle snelheid kwam, was hij op dat moment ons de baas en niet wij hem, de takken van de overhangende struiken maakte het een en ander nog moeilijker. Uiteindelijk, voor mijn gevoel een eeuwigheid kwam hij naar de oppervlakte, een mooie vis, de mooiste die ik ooit gezien had zwom in een rondje onder John zijn hengeltop. Het houten talud waar vanaf wij visten was aan onderkaveling onderhevig en toen ik dan ook de vis in het net probeerde te krijgen bleek meteen al waarom er hier niet vaak gevist werd aan deze kant, je kon er gewoon niet bij, je voeten hadden geen steun aan de beschoeiing en bij iedere poging de vis te scheppen nam deze weer een run richting boom. Maar ik zou niet voor niets gekke Aad heten als ik het daarbij had laten zitten, met schoenen en broek nog aan te water, het was gelukkig hier niet diep ik denk tachtig centimeter, maar koud, je wil het niet weten, na een keer voorzichtig scheppen verdween de karper in het net. Onze eerste nachtelijke karper uit onze put, dolblij waren wij, het was een goed begin een mooie spiegel een twintiger zo legde John uit en een veelbelovende vis. Onthaakt en ongewogen terug gezet, er werd toen nog niet echt gewogen, meer gemeten als dat zo uitkwam, waren wij het samen eens, dit was de plek. Die nacht ving John er nog zes en ik vier, niet echt grote maar wel groot genoeg om de moed erin te houden.
Vanaf die dag visten John en ik er bijna ieder weekend en onze technieken pasten we aan naar gelang de vangsten daalden of stegen, met van alles werd er gevist, als de aardappels het lieten afweten probeerden wij het met ingevroren smeerkas waar de onderlijn al inzat of met een mengsel van kattenvoer en brinta, een soort balletjes waarmee redelijke afstanden overbrugd konden worden. Honderden karpers kwamen dat jaar in verleiding en werden door ons gedrild en geland.
Het vissen daar had iets magisch, de stilte zo dicht bij de grote stad, het geheim dat wij alleen daar visten op karper, ik denk dat de witvissers daar wel wisten wat wij daar s'nachts uitvoerden, maar zich er verder niet druk over maakten. Het waren tenslotte maar twee dwazen die op karper visten. In de loop van dat jaar vingen wij ze geregeld, van kleintjes, door John respectvol shitters genoemd tot kanjers van over de vijfentwintig pond, kanjers voor ons toen, wisten wij veel.

Helaas komt aan alles een einde, zo ook aan het samen vissen met mijn Engelse maat, hij moest terug naar Engeland en ik bleef wel karper vissen maar op stekken in de buurt waar ik mij s'nachts alleen iets veiliger voelde.
Voor twee jaar terug, gedreven door nostalgie ben ik nog een paar keer wezen vissen in de Wilgenplas, de bomen zijn gekapt, er staan grote kantoren en het vliegveld zestienhoven lijkt ook dichterbij dan toen. Waar wij pleegden te vissen loopt nu een fietspad en staan nu lantarenpalen en op een mooie zonnige dag tref je langs de waterkant geregeld tentjes aan met jongens van de leeftijd die ik toen ook had, liggend op stretchers en vast slapend tot de beetverklikkers afgaan, ik wil niet zeggen dat het toen beter vissen was, alleen spannender en misschien ook wel leuker.

Als afscheid's cadeau bracht John voor mij uit Engeland twee optonics beetverklikkers mee, toen het nieuwste van het nieuwste, speciaal voor de nachtvisserij, ik heb ze natuurlijk in dank afgenomen en maar niet gezegd dat ik zonder hem nu voornamelijk overdag viste. Ik ben John veel verschuldigd en denk nog geregeld aan de fijne tijd die mijn vismaat en ik samen doorbrachten En gelijk had hij ook toen hij destijds zei; Aad this is carp headquarters, gelijk had hij want na al die jaren kun je hier nog steeds fantastisch vissen op karper tot dertig pond.
De tijden zijn misschien veranderd maar de vissen en de rust die vissen met zich meebrengt zeker niet, ik wens iedere visser dan ook goede vangsten en wellicht treffen wij elkaar eens bij de Wilgenplas.

Inlichtingen over de Wilgenplas en vergunningen te bevragen bij:
Hengelsport vereniging "De Ruisvoorn"
Te Berkel en Roderijs

Voor reacties, aanvullingen of vragen kunt u een bericht plaatsen in de reactiebox