Kurkentrekker - Lonkend verleden                                Frank Huisman

Plotseling schiet ik wakker. Ik kijk op mijn wekker en constateer dat deze nog maar op één uur dertig staat. Verdorie, nog twee en een half uur voordat ik eruit kan! Snel maar weer omdraaien en verder dromen. Even later word ik weer wakker en zie ik dat het nog maar 30 minuten later is. Ik doe mijn ogen weer open en zie ineens drie uur zevenenvijftig staan. Ja! Ik schiet in mijn klaargelegde viskleren en trek de slaapkamerdeur zachtjes achter me dicht. Beneden gunnen de snurkende Bullen me amper een opgetild ooglid wanneer ik het licht aandoe en het koffiezetapparaat in werking zet.

Bij het vangen van een 'broodkorstkarper' zoals deze is overdrijven in benadering van de vis niet mogelijk Als ik ‘s ochtends er vroeg uit ga om te vissen, zorg ik altijd dat ik de avond ervoor al mijn spulletjes heb klaargezet. Dit doe ik, omdat ik mezelf ‘s ochtends vaak de tijd niet gun om alles echt goed te checken. Ik begin dan meestal bij de vaststelling van de visstekken. Als ik met de pen vis, heb ik niet gevoerd, dus ik kan dan gaan vissen waar ik wil. De stekbepaling komt bij mij tot stand aan de hand van de volgende gegevens:

- Logboekgegevens uit dezelfde periode uit de   voorgaande jaren
Als je werkelijk iets wilt leren over wanneer je waar het beste op karper kunt gaan vissen, kun je niet buiten een logboekje. Natuurlijk onthoud je in grove lijnen wel waar het op welk moment goed is, maar het merendeel van de gegevens raak je toch kwijt, en dat is zeker zo als het om details gaat als watertemperatuur, info over het bodemverloop en wanneer de karper zich nu voor het eerst vertoont op een bepaalde stek. Daarnaast bevat het logboek natuurlijk alle vangsten, lossers en missers. Indien deze gegevens in een spreadsheet worden gezet, heb je na een paar jaar een betrouwbare raadgever. Dit geldt zeker indien alle visuren, ook de blanks, genoteerd zijn. In het verleden bleek maar al te vaak dat een ‘slechte stek’ gevoelsmatig ‘slecht’ was, maar dat ik in werkelijkheid veel te weinig uren had gedraaid om een goed oordeel te kunnen geven. Sterker nog: Door het uitrekenen van het aantal visuren per karper heb ik twee als verloren gegaan beschouwde stekken (door vermeende overbevissing en leegvisserij) weer teruggekregen en er grotere successen behaald dan ooit tevoren!

- Het weer van de laatste dagen
Aangezien ik meestal in ondiepe kanalen en afwateringskanalen vis (gemiddeld 1,5 - 2 meter diep), hebben zon en wind hier grote invloed op. De watertemperatuur kan zo twee tot drie graden per dag lager of hoger zijn dan de dag ervoor. Ook het voedsel kan zich in een paar dagen concentreren in een uiteinde van een kanaal. Mijn mening is dat dit vooral geldt wanneer de wind met kracht blaast op een uiteinde, omdat dit al een onderbreking is in een kanaal en omdat het drijfvuil en dergelijke uit het hele kanaal zich verzamelt op een klein stukje, terwijl dit voedsel als de wind dwars over het kanaal blaast zich verspreid over een gehele zijde. De karpers zullen zich dan ook over de gehele zijde begeven, indien het kanaal evenwichtig is. Daarnaast kan het weer in elk jaargetijde bepaalde effecten opleveren. In het voorjaar is de eerste opwarming van het water tot boven de 11 graden meestal goed voor een periode met actieve karpers. In het najaar kan juist de eerste afkoeling van boven de twintig graden naar zo’n 16 tot 17 graden een gunstig effect hebben op de vangstresultaten. In de zomer kunnen een aantal zonnige, warme dagen zorgen voor spectaculaire resultaten bij het oppervlaktevissen. In de winter kunnen twee of drie zonnige dagen verrassend resultaat opleveren, vaak van twaalf tot ca. vier uur.

- Informatie van visvrienden over recente belevenissen
Ik ben in de gelukkige omstandigheid dat ik naast mijn vismaat nog een aantal visvrienden heb, waarmee ik openlijk spreek (en kan spreken) over welke resultaten ik waar heb geboekt, met welk aas, wanneer etcetera. Als gevolg hiervan houden we elkaar op de hoogte waar ‘the place to be’ op dat moment is. Ik schat dat we hierdoor gemiddeld per persoon per jaar zo’n 10 tot 15% meer vangen dan wanneer elkaar de karpers niet gunnen. Iets waar nog veel karpervissers iets van kunnen leren.

- Watersense
Ondanks voornoemde punten die van belang zijn bij het bepalen van de visstek, is er voor mij geen betere raadgever als het gevoel voor het water, de zogenaamde ‘watersense’. Het is dus dikwijls gebeurd dat ik in een bepaald stuk water wilde vissen, maar dat er totaal geen ‘leven’ in zat. Met ‘leven’ bedoel ik dan aasbellen en -plakkaten, kolken, wellingen, slurpende geluiden, draaiende en springende karpers, maar ook ‘dode’ dingen als oude aasplakkaten, een ‘waasje’ over het water, rommel in een hoek of onder een boom, het ontbreken van of juist aanwezig zijn van wind. Naast deze aspecten, dingen die je uit boeken kunt halen, kun je dit gevoel al van nature hebben. Dit ontwikkelt zich dan als een extra zintuig en het kan je dan onderscheiden van andere karpervissers door dan nét de juiste plek te kiezen. Als je van huis uit niet gezegend bent met dit watergevoel, kun je het zondermeer ontwikkelen door veel aan de waterkant te zijn en vooral door met de pen of korst te gaan vissen, door één te worden met de waterkant en de natuur er omheen. Als er dan geen leven in zit, kunnen alle overige punten wijzen op succes, het watergevoel wint het dan onherroepelijk en ik kies dan een andere stek. Deze methode van werken zorgt er soms voor, dat ik op een hele ochtend slechts 1,5 uur echt gevist heb, meer dan 50 kilometer gereden heb en zo’n 6 tot 7 verschillende wateren heb bekeken of afgestruind. Het kan soms raar lopen.

Ik pak uit de bijkeuken m’n struintas, m’n net, twee hengels en m’n onthaakmat en zet ze bij de voordeur.

Nu de stek bepaald is betekent dit dat ik mijn hengeluitrusting daarop af ga stemmen. Bij weinig of geen obstakels een 1,5 lbs soepele carbonhengel en een nylon lijn met veel rek van 0,25 mm dik, bij het vissen bij obstakels standaard mijn parabolische‘biggebeuker’ van 2,25 lbs met op de molen 0,35mm dik donkerbruin nylon van hetzelfde historische merk. De molens zijn voor mij zó vanzelfsprekend, dat ik ze bijna vergeet. Allerbelangrijkst aspect bij een molen voor het pen- en korstvissen is een perfect werkende slip, vooral wanneer deze bijna dicht staat! Zo’n molen is al te koop vanaf ƒ 75,=. Ik kan hierbij niet om de naam van een beroemde Engelse schrijver heen. Ook de wielrijders onder u begrijpen mij wel, denk ik.
Pennen, haken en lood heb ik altijd in alle soorten en maten bij me. Hier kom ik een van de vervolgartikelen nog uitgebreid op terug.

Deze geweldenaar ving ik op een verloren gewaande stek dankzij mijn logboekgegevens! M’n fototoestel en m’n videocamera zet ik ook nog bij de klaargezette spullen.

Als ik alleen ga komt daar nog een tafelstatief bij, zodat ik direct na de vangst een paar foto’s kan maken, zonder de karper in een (sowieso overbodige) bewaarzak te hoeven hangen. Vaak schroef ik het fototoestel alvast op het kleine statief, zodat de fotosessie zo snel mogelijk kan beginnen en de vis zodoende zo kort mogelijk uit het water is (vooral belangrijk in hete zomer en koude winter). Ook is de karper dan nog moe, wat de kans op worstelpartijen aanzienlijk verkleind en de hanteerbaarheid vergroot.

Ik smeer twee boterhammen, doe ze in een plastic tas en even later komt daar een thermoskan koffie bij. Op de buitenthermometer zie ik dat het slechts zes graden is, maar het waait gelukkig niet. (Omdat er dus geen wind heeft gestaan op het water, is het niet ineens erg afgekoeld. Een constant weertype is namelijk het beste) Ik doe het licht uit, trek m’n jas aan en zet alle spulletjes buiten neer, alwaar ik over een minuut of vijf mijn vismaat Arjen verwacht om mij op te pikken. Verhip, mijn hoed ( erg handig tegen regen of felle zon, alsmede om lichtinval op mijn polaroid te voorkomen, wat de polariserende werking sterk verbetert)! Snel pak ik ‘em van de kapstok en trek de deur achter mij dicht. Even een moment van rust, afgezien van het ongelofelijke volume dat een zanglijster op dat moment aan het produceren is. Dit is altijd een apart moment, ik bedenk me dan nog eens waar ik graag zou willen vissen, want Arjen kan immers hele andere ideeën hebben. Terwijl ik nog eens bekijk of ik echt alles bij me heb, hoor ik Arjen aan komen. Nadat hij uit z’n witte Golf is gestapt begroeten we elkaar zoals altijd met een hand en een fluisterend ‘goedemorgen’. Met z’n tweeën laden we mijn spullen in, stappen in, sluiten zachtjes de deuren en rijden zachtjes de straat uit.
Het eerste gesprek gaat zoals altijd over of we nog wat gevangen hebben sinds we elkaar voor het laatst hebben gesproken en of Joop (Arjen’s vader) misschien nog wat gezien had in de afgelopen dagen. Joop had nog gevist in een verwarmd afwaterings- kanaal en er daar nog één aan gehad, maar verder geen actie gezien. Arjen had geen tijd gehad om te vissen die week dus reden we in één keer door naar de stek, waar ik twee dagen geleden een schub had gevangen van 79/16 aan een boilie met de pen. Arjen zette de auto in de berm stil, nadat hij de motor had afgezet. Met ingehouden haast stappen we uit en lopen we behoedzaam naar de waterkant.


Over het benaderen van de stek kan ik maar één ding zeggen: Overdrijven bestaat niet! Een slaande autodeur kan een karper tot op 500 meter waarschuwen voor gevaar! Eén onverhoedse beweging, één misstap kan betekenen dat u het eerste halfuur voor Jan Joker zit te vissen. En gelooft u mij maar, ik struin al zo’n 22 jaar! Vandaar dat de auto een flink eind van de stek wordt neergezet, de deuren worden dichtgedrukt en de tocht naar de stek steeds langzamer verloopt, vooral wanneer er karper gesignaleerd is. Nog een opmerking: Alleen fluisteren zorgt voor nietsvermoedende karpers. Ik heb ontelbare keren meegemaakt dat ik pal voor en een tijdje na een gesprek met en voorbijganger veel activiteit waarnam in het water, karpers ving, maar tijdens het gesprek gebeurde er werkelijk niets! Natuurlijk speelt donkere of camouflagekleding ook een belangrijke rol. Nog beter is het om te zorgen voor goede dekking tussen de stek en uzelf en tussen uzelf en de achtergrond, voor de vis vaak de hemel. Het ‘tijgerend’ benaderen van een stek waarbij dit alles niet mogelijk is, is dan noodzaak voor het scheppen van goede vangstkansen, evenals het afstand houden tot de oever. Het liefst zover, dat u de pen of het drijvende aas nog net ziet boven de wal. Is dit niet mogelijk, bijvoorbeeld door een smalle berm tussen het viswater en een weg in, dan kan het helpen om met “het gezicht tegen de stroming in” op zo’n zes meter van de stek te gaan zitten, zo laag en gecamoufleerd mogelijk. Bij de nachtelijke uren geldt dit natuurlijk veel minder. Als u voerplekjes heeft gemaakt, is het onopgemerkt benaderen van de op uw stek aanwezige karpers bijna niet te doen. Hiervoor moet u werkelijk in superslowmotion de stek benaderen en u zodoende zo langzaam verplaatsen, dat de kans bestaat dat u twee tot drie minuten bezig bent om de laatste meters af te leggen en te gaan zitten. Uw hengelspullen houdt u hierbij zo laag mogelijk.
Als u nu denkt dat ik gek ben, raad ik u aan het boek “Karpervissen” van Jan B. de Winter eens te lezen. Ik vind het met afstand het beste karperboek wat er ooit is verschenen. Ik wil hierbij dan ook speciaal voor de lachende mensen onder u de beroemde woorden van Jan B. de Winter herhalen: “Lach gerust, maar lach vooral niet te hard!”

In november vertel ik verder over deze sessie.

Voor reacties, aanvullingen of vragen kunt u een bericht plaatsen in de reactiebox


Frank Huisman
Kurkentrekker II