Rotary Letter, VBK

Door: Alijn Danau, Stef Michiels, John Van Eck, Phil Cottenier

Wij zijn heel blij dat wij met medewerking van het VBK deze rotary letter mogen plaatsen. Dit is een van de beste schrijfels die er is in de verschillende karperbladen. En wij hopen dat het u motiveert om lid te worden van het VBK, in deze rotary letter vindt u de bijdragen van Alijn Danau en Stef Michiels. (redactie)

De onderwerpen

1. Communicatie van karpers
2. Hoe komt het dat bepaalde karpers elk jaar weer rond vrijwel exact dezelfde tijd van het jaar worden gevangen?
3. Waarom lopen de najaars/wintervangsten van jaar tot jaar achteruit?

Zoals in vorig magazine al aangehaald bouwt onze voorzitter zijn Rotary activiteiten voorlopig af tot nul (hij zal zich intussen bezig houden met het verzorgen van de VVHV bijdrage). We vonden een waardige vervanger in de persoon van Stef Michiels, Nekkerbailiff en naast en visser die echt wel van wanten weet (niet zo bescheiden Stef) ook iemand die iets te vertellen heeft. U warm applaus voor Stef graag!!!!

Bijdrage Alijn:

Bestaat er zoiets als onderlinge communicatie tussen karpers? Zijn er orden aanwezig?

Er bestaan meerdere betrouwbaar opgetekende verhalen van vissen die zichtbaar met elkaar communiceerden. Ik geef een voorbeeld aan de hand van wat Mike Willmott ooit op het legendarische Ashlea Pool mocht waarnemen:
"Het was een hete dag in juli. Ik zat op de tak van een boom en probeerde zo goed en zo kwaad als kon om mijn evenwicht te behouden. Van daar uit had ik een perfect zicht op het water en de af en toe hoog in het water hangende en passerende vissen. Ik wou hen 'warm' maken voor 'chum mixers' (drijvende hondebrokjes). Ik had besloten om te wachten met het uitgooien van m'n haakaas tot ze vol vertrouwen de vrije hondebrokjes zouden opslurpen. De vissen (allen kleinere exemplaren tussen zes en negen kilo) toonden duidelijk interesse in het aas, echter hun opvallend nerveuze lichaamstaal verraadde een uitzonderlijke voorzichtigheid. Ze zwommen in wijde cirkels rondom het aas, dompelden af en toe en kolkten vlak bij de mixers zonder ze evenwel te nemen. Nadat ze uiteindelijk een enkele mixers namen zwommen ze allen weg en wat verderop hielden ze halt bij een duidelijk grote vis die eveneens in de hogere waterlagen lag. Nadat ze enkele keren rondom de grote vis heen cirkelden, zwommen de vissen dit keer vergezeld van de grote karper (die ik op dat moment herkende als 'Humpy', de grootste vis van het water) die de rol overnam van 'hoofdinspecteur' terug naar de hoek waar ik zat. 'Humpy' zwom slechts een enkele keer rond de hondebrokjes om te besluiten dat er gevaar was en hij keerde met de kleinere vissen in touw terug naar de andere kant van de plas. Ze lieten zich van gans de dag niet meer zien in die hoek.
Alijn met (een) Jumbo Ik was getuige geweest van een klassiek voorbeeld van communicatie onder vissen en ik had nog niet eens een haak in het water gelaten. Dit was echter slechts het eerste van een hele reeks voorbeelden die ik er in de loop der tijd mocht waarnemen. Na het zien van dit soort dingen, vraag je jezelf af hoeveel keer je in godsnaam voor joker zit te vissen. "
Dit verhaal geeft overduidelijk weer dat er 1) wel degelijk zoiets als communicatie tussen karpers bestaat en 2) dat er eveneens een orde aanwezig is. Wat zien wij tenslotte van het gedrag van vissen t.o.v. ons aas? Onze wateren zijn meestal te troebel, te diep of we vissen te ver uit de kant om getuige te zijn van dergelijke voorvallen. We hebben als mensen nogal gemakkelijk de neiging om ons superieur te voelen t.o.v. dieren. Het is een typische van arrogantie getuigende menselijke reactie om alles te ontkennen wat hij zelf niet zintuigelijk kan waarnemen. Het komt niet bij ons op dat dieren over voor ons niet altijd onmiddellijk zichtbare vermogens beschikken. We doen hen af als dom en onwetend, want zo ziet het er toch uit. Maar niks is wat het eruit ziet. Natuurlijk gebeurt communicatie onder dieren in het algemeen en bij vissen in het bijzonder niet op eenzelfde manier als bij ons, en gaat het eveneens minder ver en subtiel als bij de mens, -de fabeltjeskrant ontgroei je na de kleuterschool- maar daarom beweren dat er geen onderlinge communicatie bestaat is toch wel kortzichtig. Het is bijvoorbeeld aangetoond dat giraffen met elkaar communiceren, geluiden produceren die niet eens hoorbaar zijn voor mensen. Walvissen en dolfijnen hebben een heel sterk ontwikkelde onderlinge communicatie die alweer niet hoorbaar is voor de mens omdat ons gehoor niet in staat is om de ultrasone geluiden die ze maken waar te nemen.
Deze gegevens geven je een beter zicht op wat wij karpervissers omschrijven als dressuur. Niet enkel vissen die op een bepaalde stek/aas/montage zijn gevangen zullen in de toekomst meer op hun hoede zijn maar eveneens de vissen die in de onmiddellijke nabijheid zwemmen van een al eerder gevangen vis omdat ze zijn paniekreactie t.o.v. stekken/aas/montage na verloop van tijd zullen associëren met gevaar en overnemen.

Hoe komt het dat sommige karpers elk jaar weer rond dezelfde tijd van het jaar gevangen worden?

Het is een fenomeen dat me de laatste vijf jaar (daarvoor stond ik er gewoon niet bij stil) op meerdere circuitwaters is opgevallen. Sommigen beweren dat de stand van de maan er voor iets tussen zit. Anderen suggereren dat het water rond deze tijd van het jaar iets herbergt dat de vis(sen) in kwestie meer dan gewoon interesseert. Wat en waarom, daar heb ik het raden naar. Dat ze inderdaad door één bepaalde plaats of iets worden aangetrokken daar kan ik inkomen, echter wat ik moeilijk te vatten vind is dat ze steevast op jaarlijks dezelfde dag (soms zelfs stipt tot op het uur) worden gevangen. Je kan weertype, temperatuur, luchtdruk of windrichting aanhalen om dit te verklaren maar deze zaken zijn niet constant. Ze variëren van jaar tot jaar.Alijn met een schitterende vis. De enige constante die ik kan bedenken is de maan (en misschien ook andere hemellichamen zoals de sterren). En of ze al dan niet van invloed is weet ik niet (mijn kennis hierover schiet hopeloos tekort) en kan ik ook niet aantonen maar aangezien dat het enige aanknopingspunt is mik ik daar op. Wat weten we met zekerheid van die maan? Dat ze van invloed is op water is een feit, kijk maar naar de getijen (eb en vloed). Zeevissen zijn geconditioneerd door winden, stromingen en temperatuurschommelingen. Waarom zou er ook geen inferentie bestaan tussen de kosmos en levende wezens. Ik heb bepaalde vrouwen gekend die beweerden dat ook zij invloed ondervonden van die maan. Nu met vrouwen moet je natuurlijk altijd op je hoede zijn, het is uitkijken geblazen, hun trukendoos is groot. Maar wat hun maanstonden betreft daar kun je natuurlijk niet onderuit. De cyclus duurt net even lang als deze van de maan en van daaruit vertrekkende zou je inderdaad kunnen concluderen dat er iets in zit. Sommigen beweren dat ze rond de volle maan (net ervoor en net erna) plots veel meer energie en levenslust hebben. Meer zin in seks en zo. Is dat de andere Rotaristen ook opgevallen? En moeten we dan daaruit concluderen dat enkele vrouwelijke karpers onderhevig zijn aan dit fenomeen? Nu er gaan ook stemmen op in de richting van de biologische klok. Dat die klok bepaalt wanneer de paaitijd is aangebroken, de trek van start gaat (o.a; bij zalmen) enz.; dat is een uitgemaakte zaak. Maar is die klok ook van invloed op de vangbaarheid van zo'n zevenvinnig schubbenkleed? In dat geval zou dat dan toch moeten gelden voor alle karpers en niet voor specifieke individuen. U merkt het, elk mogelijk antwoord roept alweer nieuwe vragen op. Het leven is een mysterie en ik mag het graag zou houden. Er is niks vervelender dan exacte wetenschap en voorspelbaarheid. Wat mij betreft mag het zo blijven.

Waarom lopen de wintervangsten van jaar tot jaar achteruit?

Heel simpel, er wordt veel gevoerd het ganse jaar door en teveel op het verkeerde moment. Karpers krijgen gemiddeld gezien veel meer voer te eten dan vroeger met als gevolg dat ze hun maximumgewicht (vetreserves om de winter door te komen) eerder in het jaar behalen en dus ook eerder stoppen met eten. Op elk water (het lichtjes verwarmde Kempisch kanaal niet te na gesproken) die ik de laatste najaren/winters heb bevist valt me dezelfde tendens op. Vele karpervissers vernemen dat regelmatig (en soms veel) voeren hun kansen verhogen. Dat klopt slechts half. In het najaar en 's winters gelden er andere regels en dat schijnen heel veel mensen over het hoofd te zien. Het metabolisme van een karper -onderhevig aan de lage watertemperatuur- neemt af wat betekent dat de vis veel minder voedsel tot zich neemt en ipso facto sneller verzadigd is. I.p.v. die hoeveelheid voer aan te passen en eveneens rekening te houden met de kwantiteiten die anderen voeren blijven velen er lekker op los dumpen. Hun eigen maar ook anderen hun kansen acuut in de grond borend. Ik weet van waters waar er momenteel (half november) dagelijks door een zestal vissers nog twee kilo boilies de man wordt gevoerd. Dat is twaalf kilo per dag!! Hoe wil je zo in godsnaam nog actie forceren? Hier gaat het voeren averechts en tegen jezelf werken. Bouw je hoeveelheid voer af naarmate het kouder wordt en hou rekening met wat anderen voeren. Indien je instant vist leg dan de nadruk op weinig maar opvallend aas. Besluit je toch om te blijven doorvoeren pas dan zowel je boilietype als je kwantiteit aan. Goed en snel verteerbare boilie ingrediënten zijn een must. Voer kleinere boilies (mini's tot 14 mm) zodoende hebben de minder eetlustige karpers meer boilies nodig voor eenzelfde gewicht aan voedsel dan wanneer je grote boilies gebruikt.

Bijdrage Stef:

Hoewel ik mezelf niet echt als een karperspecialist beschouw, zeker niet in de mate waarin de andere rotaristen dat zijn, ben ik graag ingegaan op Alijns' verzoek om een bijdrage te leveren aan de rotary letter.

In de marge en als wetenswaardigheid merk ik graag op dat het concept van de rotary letter ouder is dan de meeste onder ons wel denken en dat we deelachtig zijn aan iets dat in het karpergebeuren uit eenzelfde tijd stamt als de oprichting van karperverenigingen en dat eigenlijk dus als een traditie kan beschouwd worden. Een en ander wordt duidelijk na het lezen van de volgende paragraaf, dewelke werd vertaald uit het boek 'A History of Carp Fishing' van de hand van Kevin Clifford. De volgende dag, op maandag 18 juni 1951 ontmoetten vier karpervissers elkaar aan Mapperly (Engels karperwater n.v.d.r.). Deze waren Maurice Ingham, Richard Walker, die afgereisd was van Woldale (Benniworth Haven) (eveneens een Engels 'carp venue' n.v.d.r.), BB en John Norman. Ze zaten op de dam nabij de plek waar Albert Buckley zijn recordkarper had gevangen en praatten over karpervissen - over wat anders! Ze bekloegen zich over de schaarsheid aan geschikte viswaters en bespraken de mogelijkheid om hieraan in de toekomst te verhelpen door het uitzetten van karpers. Ze praatten over materiaal, aas en technieken. Het idee van een vereniging van karpervissers werd besproken en er werd onderling besloten de nodige stappen te nemen om deze op te richten. Al vlug werden Jack Smith uit Bradford-on-Avon en Harry Grief uit Dagenham gevraagd om toe te treden. Bovendien werd in augustus 1951 een rotary letter gestart ter uitwisseling van ideeën en ervaringen.

Mooi, mooier, mooist

1) Communicatie bij karpers en de aanwezigheid van orden.

Ik treed het standpunt van Alijn bij wanneer hij beweert dat er communicatie tussen karpers bestaat. De dieren wisselen mijns inziens wel degelijk informatie uit. Vanzelfsprekend gebeurt die uitwisseling in de mate waarop deze dienstig is in de onderwaterwereld der karpers en uiteraard op een niveau dat onvergelijkbaar is met datgene waarop wij mensen communiceren. Uitwisseling van informatie betekent overigens dat de vissen zowel signalen uitzenden als opvangen. Het aantal voorbeelden die mogen illustreren dat karpers geluids-, visuele of andere signalen kunnen waarnemen - iets waar overigens niemand aan twijfelt- en deze bovendien weten te interpreteren is groot. Of deze signalen afkomstig zijn vanuit hun omgeving of van hun soortgenoten doet overigens weinig ter zake. Een voorbeeld dat aantoont dat karpers signalen weten in te schatten (doch dat daarom nog niet aantoont dat er communicatie bestaat) betreft hun reactie na de eerste voercampagnes die de boilie-maagdelijkheid van een water doorbraken. Nadat er regelmatig een boilie- of partikelregen over de karperhoofdjes gestrooid was geworden, en de dieren na een poos het geluid ervan gingen associëren met voedsel, volstond enig 'strooiwerk' aan het begin van een sessie om de wakers tegen de hengels te laten knallen. Na het feest kwam echter vlug de kater want na een tijdje werd het voergeluid dat aanvankelijk aanleiding was voor het vangfestijn, beschouwd als een teken van gevaar, en was het effect ervan dus tegengesteld van wat dat in den beginne geweest was. Een zelfde signaal krijgt voor de dieren omwille van de opgetreden dressuur, een andere betekenis. De dieren interpreteren datzelfde signaal anders dan voorheen. In de rand weze het opgemerkt dat de karpers (in bepaalde gevallen) het aas in toenemende mate gaan inspecteren naarmate het dressuurspook feller de kop opsteekt. Zulks betekent dat in de breinen der karpers gegevens en ervaringen opgeslagen kunnen worden en dat ze een situatie kunnen (leren) inschatten, wat met andere woorden betekent dat ze tot op (een zekere hoogte) denkoefeningen maken.
Dat karpers bovendien signalen (kunnen) uitzenden kan bevestigd worden door diegene die de dieren van nabij geobserveerd heeft. In aquaria of in kleine vijvers kan makkelijk opgemerkt worden in welke gemoedstoestand de vissen verkeerden. Zo is het bijvoorbeeld aan de vissen te merken wanneer ze zich in een stresstoestand bevinden, zelfs voor iemand met een ongeoefend oog. Ongetwijfeld merken ook soortgenoten die gemoedstoestand, schrikreacties en dergelijk op. Jonge dieren in het algemeen leren trouwens door hun ouders of soortgenoten gade te slaan, de gedragingen van deze dieren te interpreteren en ze zelfs na te bootsen. Wanneer men die lijn doortrekt is het niet denkbeeldig dat karpers die zich in een groep bevinden mee schrikken wanneer een groepslid weggevangen wordt, en wellicht is de reactie van de dieren groter naarmate deze vissen reeds leerden kennismaken met de klappen van de glasvezel- of carbonzweep.

In het verleden werden reeds talloze verklaringen gegeven voor iets wat vele karpervissers blijft fascineren: het springen van karpers. Of karpers hiermee nu willen duidelijk maken aan zich op enige afstand bevindende soortgenoten of ze op een voedselstek aangekomen zijn en soortgenoten er willen weghouden of hen er juist willen op wijzen dat het op die plaats is waar er zich voedsel bevindt, of het nu gedaan wordt met als doel groepen te vormen om naar de paaiplaatsen te trekken, of om soortgenoten duidelijk te maken waar deze paaigronden zich bevinden, of gebeurt het springen om nog (een) andere reden(en), één ding lijkt zeker, het betreft een vorm van communicatie.

De cirkel die moet aantonen dat er communicatie bij vissen bestaat is nagenoeg rond. De vissen zenden bewust of onbewust signalen uit en weten signalen die ze opvangen te interpreteren.

Dat er bij karpers rangorden bestaan mocht duidelijk blijken uit observaties tijdens de zomer van '98. Op het Nekkerdomein werd reeds enkele jaren geleden een kinderzwembad aangelegd dat slechts door een smal dammetje van de grote Nekkervijver gescheiden wordt. Om een tot nog toe onverklaarbare reden raakten een spiegel en vijf schubs in het zwembadje afgesloten en geraakten de dieren niet terug in het open water. Vele uren werden in, om en boven het badje gesleten en de touwen- en klimpiste waarin kinderen overdag hun vertier vonden bleek 's avonds een uitstekende observatiepost. Aanvankelijk lukte het afvangen der vissen niet zo bijster goed omwille van allerlei al dan niet vistechnische redenen, doch dat is een verhaal op zich. Spoedig werd de spiegel herkend als zijnde Big Scale. Het gaf een vreemde, eigenlijk sensationeel gevoel om één van België's 'most wanted' van zeer nabij gade te slaan. Big Scale toerde haar kleine rondjes tussen de speeltuigen op zoek naar voedsel, een opening naar het open water. of naar ik weet al niet wat, terwijl haar volledig geschubde satellieten, die overigens ook niet van de minsten waren want onder hen bevond zich een schub die op het moment dat ze van het zwemdokje afgevangen werd 16, 2 kg op de weegschaal bracht en die de wijzer in het najaar zelfs nabij de 18 kilo brengt. Stelselmatig verkenden de schubs de bodem en de omgeving en ze verlieten in hun verkenningsopdrachten stelselmatig het groepje om er zich eventjes later achteraan weer bij aan te sluiten. Big Scale, die het zwemparcours bepaalde bleek door haar gedragingen duidelijk de leider van het kwintet.

Patrick Bouwens met een geweldige Cassienschub. Het ligt niet in mijn bedoeling om waarheden van anderen te verkondigen en het volgende kan daarom als een leestip beschouwd worden. In zijn (Franstalig) boek 'L'evolution de la Pêche de la Carpe' beschrijft auteur Leon Hoogendijk hoe hij met zijn voer- en hengeltechnieken tactisch inspeelt op het bestaan van rangorden bij karpers. Hij weet de kennis dat een groepje karpers bestaat uit vissen die geschaard zijn rond één leider, in zijn voordeel te benutten.

2) Hoe komt het dat sommige karpers elk jaar weer rond hetzelfde tijdstip van het jaar gevangen worden?

Het doen en laten van karpers wordt bepaald door de invloeden die een water ondergaat en door de gewoonten en specifieke eigenaardigheden die individuele vissen bezitten. Ik geloof niet erg veel in wat men een biologische klok pleegt te noemen. De kalender zit bij een karper niet in zijn kop maar wordt voor hem bepaald door een voortdurend veranderende omgeving en het zijn deze omgevingsfactoren die het gedrag der karpers gaan dicteren. Voorgaande stelling hoeft echter niet meteen te betekenen dat de terugvangst van bepaalde karpers rond dezelfde tijd in het jaar en vaak zelfs op (ongeveer) dezelfde stek toeval zou zijn. Het betekent slechts dat ondergetekende voor het fenomeen een andere verklaring denkt te hebben. Vaak bepaalt een samenloop van omstandigheden dat sommige vissen met een regelmaat qua stek en qua tijdstip gevangen en opnieuw gevangen worden. Sommige karpers, want de 'regel' geldt niet voor alle vissen en geldt zelfs voor slechts een minderheid ervan. De (weers)omstandigheden die de activiteiten der karpers bepalen variëren dan wel van jaar tot jaar, er zijn echter in het gebeuren evoluties merkbaar, tendensen die jaarlijks, een uitzondering niet te na gesproken, terugkeren. Stel dat een stek vanaf mei productief wordt omdat tegen die tijd het water voldoende opgewarmd is om die stek voor de residentiële karpers aantrekkelijk te maken. De temperatuursvoorwaarden zullen jaar na jaar op ongeveer hetzelfde tijdstip in het jaar het licht op groen zetten voor die bewuste stek. In combinatie met de uitgesproken voorkeur die sommige individuele karpers voor bepaalde sectoren van het water kunnen hebben lijkt het mijn niet onlogisch dat die exemplaren jaar na jaar op die bepaalde stek en rond dat tijdstip teruggevangen worden.
Bij die al-dan-niet-biologische-kloktoestanden geloven blijkbaar heel wat vissers dat sommige karpers slechts op enkele welbepaalde tijdstippen vangbaar zouden zijn, wat mijns inziens niet zo is daar de dieren niet slechts die enkele malen op een gans seizoen azen. Zo stuitte mijn vangst van Big Scale (augustus 1997) op ongeloof bij een deel medevissers omdat de vis volgens hen op een 'verkeerd (?) moment gevangen werd'.
Het ganse paaigebeuren, vanaf de aanmaak van de geslachtsproducten tot en met het afpaaien zelf wordt door temperatuurs- en ongetwijfeld nog door andere invloeden gestuurd en wordt niet bepaald door een biologische klok. Het paaien gebeurt niet elk jaar op hetzelfde moment en in de variatie ten opzichte van het tijdstip ten opzichte van het voorgaande jaar zit geen regelmaat. Bovendien paaien de vissen niet op elk water gelijktijdig af omdat de omstandigheden door het karakter van het water (ondiep water, diepe zandwinningsput, kanaal,...) onderling sterk kan verschillen. In onze contreien paaien de vissen overigens slechts (maximaal) één maal per jaar terwijl de vissen op andere plaatsen van onze blauwe planeet, waar de omstandigheden daarvoor gunstig zijn, een heel ander paaigedrag gaan vertonen en zelfs meerdere keren per jaar de karperliefde bedrijven. Je zal als karper maar de pech hebben om in België of in Nederland te leven!
Eén van de factoren die invloed hebben op de karperactiviteiten, doch waaraan weinig of geen aandacht besteed wordt is de wisselende verhouding dag/nacht dus lichte periode ten opzichte van de duistere periode. Het lijkt mij niet uitgesloten, zelfs waarschijnlijk, dat deze verhouding en de evolutie ervan binnen een jaar (het langer en korter worden van de nacht) invloed heeft op bijvoorbeeld de hormonenproductie bij een karper (zoals dit trouwens bij de mens het geval is), welke hormonen de gedragingen der vissen in een bepaalde richting kanaliseert.
Of de maan enige invloed heeft op karpers is mij niet bekend, maar lijkt mij niet uitgesloten. Twee dingen in verband met die maantoestanden staan voor mij vanaf nu onomstotelijk vast. Ik beloof Alijn dat ik hem nimmer zal storen in periodes van volle maan omwille van zijn andere bezigheden en ik vertrouw voortaan mijn vrouw voor geen haar meer wanneer ze er bij mij op aandringt om bij volle maan toch maar te gaan vissen.

3) Waarom lopen de wintervangsten jar na jaar achteruit?

Wanneer Alijn stelt dat de karpers hun vetreserves om de winter door te komen sneller bereiken slaat hij de nagel op de kop. Zelf tracht ik voeling te houden met het water op hetwelk ik het op zijn 's winters wens te proberen en laat ik de voerhoeveelheid en frequentie afhangen van mijn directe vangstresultaten. Voeren in de aanloop naar de winter en tijdens de winterperiode is beslist een voordeel. Karpers die op de stek komen scharrelen dienen voor hun inspanningen beloond te worden door er voer aan te treffen, zeker naarmate de watertemperatuur daalt en wanneer de holding area's niet overeenkomen met de feeding area's. Uiteraard geldt hierbij dat overdaad schaadt.

Vissers kopiëren vaak een 'succesformule' zonder daarom te begrijpen waarom een bepaalde aanpak resultaten oplevert. Een uit het vissersleven gegrepen voorbeeld toont zulks goed aan. Wanneer één hengelaar op een water in de koudere maanden de vissen het vuur aan de schenen legt ondervindt hij (bijvoorbeeld) dat door drie keer per week anderhalve kilo te voeren hij een aardige respons krijgt. Wanneer dit wintersucces niet onopgemerkt blijft is het niet denkbeeldig dat het water het/de daaropvolgende ja(a)r(en) intensiever bevist wordt. Wanneer allen de 'succesformule' toepassen, zelfs van mening zijn dat een keertje vaker voeren en wat meer niet slecht zou zijn, krijgen de karpers een veelvoud aan aas te verwerken, op een moment dat hun stofwisseling alsmaar trager gaat verlopen. Eenieders kansen dalen dan ook, zoals terecht door Alijn aangehaald.

Meer karpervissers betekent niet alleen dat er behoorlijk meer (lok)aas te water gaat, doch betekent eveneens dat dressuur op dat water jaar na jaar en zeker naar het jaareinde toe, aan het einde van het actieve visseizoen toe

Bijdrage John Van Eck en Phil Cottenier



Voor reacties, aanvullingen of vragen kunt u een bericht plaatsen in de reactiebox