Artikelen, Wetenschap
Wetenschap en karpervissen, trekgedrag
Wetenschap en karpervissen, wat moet u zich daar bij voorstellen? Het DNA-patroon van uw aas analyseren? Experimenteel onderzoek naar chemische samenstelling van viswater? Nee dus. Op de keeper beschouwd is karpervissen een hobby en geen wetenschap. Toch kunnen uitkomsten uit wetenschappelijk onderzoek soms praktisch bruikbaar zijn voor de karpervisser. Het doel is dan, door het vergroten van de kennis, te komen tot meer inzicht in de eigen visserij en daarmee uiteindelijk tot een beter resultaat. Kijk daar zal natuurlijk niemand bezwaar tegen hebben, of wel soms? Binnen de Karperstudiegroep Nederland(KSN) zijn er door diverse actieve leden geslaagde pogingen gewaagd om wetenschap en karpervissen tot elkaar te brengen. Geen gemakkelijke materie overigens en altijd wel stof tot (soms felle) discussies, want zoveel mensen zoveel inzichten. De peetvader op dit gebeid is zonder twijfel Jan Junge op de voet gevolgd door Luc de Baets. Maar ook in Engeland (waar anders) heeft men zich hier uitgebreid mee bezig gehouden. Evert Aalten mag -als empericus- ook niet onvermeld blijven. Via dit artikel wil ik u wat zaken en inzichten meegeven die ik door vissen en lezen mij zelf eigen heb gemaakt.
Waar gaat het om?
Simpel gezegd om alles wat de karper (en zijn leefomgeving) beïnvloed. Denk bijv. aan trekgedrag, aasopname gedrag, natuurlijk voedsel en reactie op andere vissen, waar het over de karper zelf gaat. Of waar het om zijn leefomgeving gaat aan : watertemperatuur, invloed van weer, zon en maan, invloed van voedselaanbod, invloed van het water zelf (zuur, zout etc.). Dit aanbod aan onderwerpen is zo uitgebreid dat ik er makkelijk vele web-pagina's mee zou kunnen vullen. Daarom is een keuze noodzakelijk. Hieronder behandel ik daarom maar een paar onderwerpen. Na een tijdje (ook afhankelijk van uw reacties) kan het aantal onderwerpen natuurlijk vanzelf gaan groeien of verschuiven.
Nog even dit : Het is mij wel eens verweten : waarom doe je zo moeilijk? Vissen is toch gewoon een kwestie van veel proberen en leren van je fouten en van anderen! Tja, wel terecht eigenlijk deze houding en geen speld tussen te krijgen. Als ook u deze mening bent toegedaan dan is deze rubriek misschien ook wel niet zo geschikt voor u. Een stukje nieuwsgierigheid moet wel in je zitten om deze onderwerpen (eigenlijk een hobby in een hobby) echt boeiend te vinden. Een aardige opmerking in dit verband is :"Als ZAND voor U enkel Silicium is, en WATER enkel H2O dan rest er U weinig plezier op het STRAND."
Trekgedrag.
Misschien wel de meest mysterieuze kant van het gedrag van de karper. Vooral omdat er nog steeds nieuwe dingen worden ontdekt. Natuurlijk heb ik het dan wel over grote watersystemen waar de vis de gelegenheid heeft om te kunnen 'reizen'. Het trekgedrag van vissen op putjes en meertjes is natuurlijk een ander verhaal. Er moet dan ook onderscheid worden gemaakt tussen trekgedrag binnen een etmaal en trekgedrag gestuurd door de tijd van het jaar.
Enkele feiten :
Gelukkig voor de visser is de karper ook een gewoonte dier en door goed op het trekgedrag te letten kan men na verloop van tijd redelijk voorspellen in welke tijd van het jaar en op welk tijdstip van de dag, zich de vis waar bevindt. Pas als de karper problemen ondervindt in zijn basale eisen (vreten, veiligheid, voortplanting) zal hij zijn trekgedrag gaan wijzigen.
Invloed van de dag op het trekgedrag.
Over het algemeen is de vis in de middag passief en bevindt zich op half water of aan het oppervlak. In de avond gaat de karper op zoek naar voedsel en in de echte nacht is de activiteit weer minder groot. Het sterkst is de activiteit in de (vroege) ochtend. Toch zijn er uitgesproken dag- en nachtwateren. Dwz dat er wateren zijn waar je in de nacht veel meer vangt dan overdag en andersom. Hoe dit komt is niet precies bekend maar vast staat dat de invloeden van buiten hier van groot belang zijn. Zo'n invloed kan bijvoorbeeld scheepvaart zijn, maar ook hengeldruk. Het effect van hengeldruk is dat de karper zijn activiteit steeds meer naar de nacht gaat verleggen. Het effect van scheepsvaart is niet eenduidig : soms mijdt de karper de scheepvaart en is vooral in de nacht actief, maar er zijn zeker ook wateren (meestal kanalen) waar de activiteit van de scheepvaart en die van de karper gelijk op gaan. Vangsten van karpers tussen zwemmende mensen wijzen uit dat de karper niet bang is van verstoring aan de oppervlakte. In dit soort situaties heeft de karper geleerd dat zwemmers/surfers/boten geen gevaar opleveren, maar zelfs voordeel (stofwolken en dus voedsel bijv.). Misschien dat het type water en het type voedsel (bijv nachtactieve kreeftjes) wel een grote rol spelen bij dag of nachtazen. Feit is dat de karper vrij flexibel is en zijn gedrag makkelijk kan aanpassen.
Voor het gemak heb ik vangstkansen en activiteit gelijk geschakeld, maar dit gaat misschien niet altijd op : soms is de vis zeer actief, maar bijt niet. De algemene regel op groot water is echter: vis op je stek is vis vangen.
Invloed van het weer op het (dagelijks) trekgedrag
Een moeilijke. Steeds als je denkt een duidelijke invloed gevonden te hebben blijkt weer het tegendeel. Dat het weer een grote invloed heeft staat wel vast (iedere visser weet dit ook), maar het is bijna onmogelijk om hier vaste patronen in te ontdekken. Plotselinge weersveranderingen leiden in de regel tot passief gedrag, maar ook weer niet altijd. Ik heb de indruk dat de karper zich toch meer laat leiden door de aanwezigheid van voedsel dan door het weer. Zie ook luchtdruk en temperatuur.
Afgelopen herfst (1999) ontdekte ik iets nieuws: Door de warme nazomer was de periode van opwarming dit jaar langer geweest dan voorgaande jaren. Ik werd geconfronteerd met blanks op een stek die eerdere jaren erg goed liep (eind september). Dit ondanks goed voeren. Enkel heel ver uit de kant werd nog wel eens een visje gevangen. Conclusie is dat de vis hier op veel grotere diepte (wel meer dan 10 meter, onbereikbaar ver uit de kant zonder boot) bleek rond te hangen dan ik gewend was. Normaal is het op die diepte te koud, ook aan het eind van de zomer. Maar door de lange warme periode is de zogenaamde 'spronglaag' (zie verderop) veel dieper gezakt dan normaal. De vis haakt onmiddellijk in op dit buitenkansje en aast op plekken waar dat in de zomer anders nooit kan. Gevolg bijna geen vissen op de bereikbare stekken.
Invloed van de paai op het trekgedrag.
Zonder meer een van de belangrijkste drijfveren van de karper om op stap te gaan. Zoals bekend valt de paai van de karper eind mei/begin juni als het water de 18 graden bereikt. Om zich op deze paai voor te bereiden moet de karper al in de winter beginnen (en eigenlijk al voor de winter) met het aanleggen van kuitvoorraden (en hom). Hier kom ik zo op terug. Vervolgens zal de karper bij het stijgen van de temperatuur de neiging krijgen zich te gaan verplaatsen naar plekken waar eerder is gepaaid of waar reeds vissen zijn verzameld. Belangrijk is ook dat de karper in de lente (het begint meestal al in maart) zich naar de warmste en dus ondiepste plaatsen gaat begeven, vooral na enkele dagen mooi weer. Gek genoeg doet dit verschijnsel zich al voor als de 18 graden nog lang niet bereikt is, dus bijv begin april. Steeds meer vissen verzamelen zich in deze sectoren en als het weer geen roet in het eten gooit volgt later in de lente de paai. Gevolg is dat de karper in maart t/m mei zeer mobiel kan zijn. Ik ken wateren waar je nooit karper ziet, behalve rond april! Dit zijn dan vaak verrassend ondiepe prutslootjes e.d. Als het weer tijdelijk kouder wordt voordat er is afgepaaid, verspreidt de karper zich weer wat en aast soms ongekend fanatiek. Lang duren deze perioden echter nooit en in de lente volgen hoogte en dieptepunten (voor de karpervisser) elkaar op zonder dat duidelijk wordt waarom. Je zou kunnen zeggen dat de karpers onrustig zijn. Pas na de paai valt de karper weer in zijn 'gewone' patroon en zoekt een plaats op waar hij de zomer verder zal verblijven. Meestal zijn dit geheel andere plaatsen dan daar waar de vis in mei zit. Er zijn jaren dat de paai niet lukt (te koud) en de vissen het kuit op een andere manier moeten zien kwijt te raken (bijv. door heropname in het lichaam). Het duurt dan langer voordat de karpers weer in het gewone zomerpatroon zitten, soms pas ver in juli.
Invloed van de rest van het jaar
Zoals gezegd blijft de karper in de zomermaanden doorgaans in een vast gebied rondhangen, grote vissen meer dan kleine. Wel kunnen ze in de nachten behoorlijke afstanden afleggen waarna ze overdag terugkeren naar hun vaste 'dagplaatsen', ook wel 'holding area's' genoemd. Het heeft voor de vis bepaalde voordelen om 'thuis' te blijven, vooropgesteld dat er genoeg te eten is: de omgeving is goed bekend en de kansen op nieuwe gevaren is niet groot. Hierdoor beperkt de vis het risico van het 'onbekende' en verspeeld ook nog eens weinig energie aan zwemmen. Dergelijke vissen kennen hun omgeving dan ook verdomd goed. Is het u wel eens op gevallen dat karpers vaak precies weten hoe ze zo snel mogelijk naar een obstakel gaan als we ze aan de haak hebben geslagen? Ik geloof ook dat honkvaste vissen moeilijker zijn te vangen dan 'zwervers'. Iets was vreemd is (lijnen, lood, geluiden langs de kant), valt deze vissen eerder op. Op klein viswater speelt dit effect eigenlijk altijd, ook al is het verblijf natuurlijk niet vrijwillig maar gedwongen.
Iets wat in deze theorie niet klopt is dat onder dekking van de duisternis de vissen blijkbaar wel hun vertrouwde omgeving verlaten om op zoek te gaan naar voedsel. Kennelijk is de karper zich in de duisternis minder 'bewust' van gevaren dan overdag (hij kan die ook niet zien natuurlijk). Ook zijn er natuurlijk wateren waar de vissen juist overdag het meeste zwemmen (zie invloed van de dag). Naar mijn ervaring betreft dit dan doorgaans de wateren met een ongerept karakter (oude polders, grote meren, natuurgebieden).
Met het dalen van de temperaturen gaat de karper meer eten, althans zo lijkt het. In werkelijkheid zal de karper in de warmste periode ook wel het meeste eten maar dan is dat ook het makkelijkst te vinden. Immers in de zomer barst het overal van de watervlooien, wormpjes slakjes, waterplanten en ander lekkers. Eind september is dit al een heel stuk minder terwijl de vis wel gewicht moet aanzetten voor de winter (en voor de aanzet van geslachtsproducten). Gevolg: onze karper moet meer afstand afleggen (dus verlaten van de vertouwde omgeving) om zijn kostje bij elkaar te scharrelen en zal ook eerder bereid zijn om ons aas te nemen. Hoe groter de vis, hoe meer voedsel hij nodig heeft. Bij watertemperaturen onder de 10 graden zal de activiteit van kleine karper dan ook sneller afnemen dan die van zijn grote broers en zussen. Een goede verklaring voor het feit dat rond de winter relatief veel grote karper wordt gevangen. Ergens in de loop van november neemt de actieradius behoorlijk af en kiest de karper zijn winterkwartier uit. Ook in de winter zal de karper nog wel eens uitstapjes maken, maar minder vaak en vooral minder ver. Ik heb het idee dat de winterverblijfplaatsen vaak dezelfde zijn als die waar de karper zich in de zomer overdag terugtrekt. Dat de karper in de winter altijd de diepste plaatsen opzoekt is een fabeltje. Maar al te vaak is waargenomen dat karpers overwinteren in bijv. jachthavens waar 1.5 tot 3.5 meter water staat, terwijl er vlakbij ook plaatsen zijn waar het vele malen dieper is en waar op de fishfinder niets werd waargenomen. In vijvers e.d., waar het overal ondiep is kiest de karper vaak voor plaatsen aan de kant waar takken e.d. in het water hangen om de passieve perioden door te brengen. Karpers hebben bepaalde voorkeuren voor hun overwinteringplaatsen : het moet beschut zijn (geen stroming en stabiele temperatuur) en er moet niet al te ver uit de buurt wat te eten zijn (in het water gevallen bomen, afgestorven rietkragen, steigerpalen etc. etc.)
Aan het einde van de winter is de cyclus weer compleet en gaat de vis over naar zijn voorjaarsgedrag. Belangrijk is dat er soms nog een soort overgangsfase blijkt te zijn, deze valt (als het al gebeurd) met name tussen eind februari en eind maart. Ondanks dat het nog koud is gaat de karper weer wat vaker opzoek naar voedsel en begint weer wat grotere afstanden af te leggen. De echte voorjaarsplaatsen worden echter nog niet opgezocht, dat gebeurt pas met het naderen van april. In vele opzichten lijkt deze overgangsfase op het gedrag dat ook in de late herfst optreedt en bevindt de vis ook zich op dezelfde plaatsen. Een ander opmerkelijk gegevens is dat de grootste karpers het langst doorgaan (begin winter) met het zoeken naar voedsel en daar ook als eerste weer mee beginnen (einde winter). Het vangen van karpers in de echte wintermaanden januari en februari is natuurlijk niet onmogelijk. De kansen zijn het grootst in wateren waar relatief veel karper zit en waar regelmatig wordt gevist. Vooral dit laatste is van belang omdat in natuurlijke wateren zoals polders ook veel karper zit, maar doordat de vissen niet gewend zijn om in de kou voedsel aan te treffen, zijn ze ook nauwelijks vangbaar. Belangrijkste uitzondering: stromend water! Op rivieren moeten de vissen blijven zwemmen en zullen ook in de koudste maanden dus voedsel proberen te zoeken. Vooral ondergelopen uiterwaarden schijnen kansen te bieden, ook bij heel lage watertemperaturen.
Temperatuurgelaagdheid in het water (spronglaag).
Even een stukje natuurkunde : water van 4 graden Celsius is het zwaarst. Zowel water wat kouder is als water dat warmer is, is lichter. Dit gegeven is vooral in de winter belangrijk want het zorgt ervoor dat op grotere diepte een vaste temperatuur van 4 graden Celsius heerst, ook als er ijs ligt. Het moge duidelijk zijn dat hierdoor altijd goede mogelijkheden bestaan tot overwinteren, zelfs in barre winters zoals bijv in Canada. Is het water op de bodem altijd 4 graden? Nee! In de eerste plaats warmt het water in de zomer op, ook op de bodem (dus warmer dan 4 graden) en zelfs op grote diepte, al kan het wel lang duren. In de tweede plaats kan door mengen van water (door stromingen) ook op de bodem een lagere temperatuur dan 4 graden worden bereikt. Een voorbeeld : Tijdens langdurige vorst wordt het water van het Amsterdam-Rijnkanaal zo koud dat er ijsvorming op de bodem plaatsvindt. Dit ondanks het feit dat het 5 meter diep is. De voortdurende menging door de scheepvaart verhindert vorming van ijs aan de oppervlakte maar zorgt wel voor afkoeling door de hele waterkolom. Op een zeker moment wordt het water zo koud dat er langs vaste objecten (bodem, palen, wallenkant) spontaan ijsvorming op gang komt. Dit fenomeen kenmerkt zich doordat er vrij plotseling overal op het water ijsschotsen ronddrijven, vaak met zand erin. Men noemt dit grondijs. Voor de vis is deze situatie waarschijnlijk erg gevaarlijk en dus zal deze proberen rustige stukken te bereiken waar niet zoveel stroming staat en dus een hogere watertemperatuur aan de bodem heerst. Samenvattend : de 4 graden op de bodem klopt wel, maar zal alleen voorkomen als het diep (meer dan 5 meter) en ook rustig is (geen stroming).

Met het stijgen van de temperatuur is de lente ontstaat er een warme bovenlaag die drijft op een koudere onderlaag (water dieper dan 4 meter). Deze lagen worden gescheiden door een laag waarin de temperatuur zeer snel (met een sprong) verloopt. Deze dunne tussenlaag noemt men de spronglaag. Dit verschijnsel is voor de visser zeker iets om rekening mee te houden. Niet alleen is het water onder de spronglaag veel kouder, ook wordt er minder voedsel geproduceerd en vooral: het zuurstofgehalte is er belangrijk lager. Dit laatste komt doordat er geen uitwisseling mogelijk is tussen de beide lagen. Het zuurstof in de koude laag wordt verbruikt door bacteriën en er is vaak te weinig licht en er zijn te weinig planten om weer nieuw zuurstof aan te maken. Kortom er zal onder de spronglaag meestal geen karper te vinden zijn! Wel is het zo dat naarmate de zomer verstrijkt de warme laag steeds dikker wordt en de spronglaag dus dieper komt te liggen. Aan het eind van de zomer zal dat in de regel op een meter of 6 tot 8 zijn. Daaronder is het dus kouder, maar ook de koude laag warmt in de loop van de zomer ook een beetje op, en zo kan het op 15 meter diep toch wel ruim 10 graden zijn. Ook is het zo dat de koude laag niet altijd zuurstofloos is (dat hangt af van de waterkwaliteit en bodemtype) en dus wordt er tegen de verwachting in soms toch karper aangetroffen.
De spronglaag kan scheef hangen.
Er zijn wateren (vaak zandgaten) die overal zeer diep zijn. Alleen aan een smalle strook langs de kant is het minder diep. Wie hier te ver uit de kant vist zal dus meestal niets vangen (op de bodem). Er bestaat echter een verschijnsel waarbij de spronglaag tijdelijk naar beneden gedrukt kan worden. Dit wordt veroorzaakt door een stabiele wind die langdurig uit een richting waait. Meestal is dit een oostenwind bij aanhoudend mooi zomerweer (maar kan ook uit andere richtingen waaien!). Doordat er een waterstroming ontstaat die aan de aanlandige windkant van het oppervlak naar de bodem loopt (dus met de wind mee) en langs de bodem weer tegen de wind in, wordt het warme, zuurstofrijke water naar beneden 'meegenomen'.
Aan deze aanlandige kant van het water komt de spronglaag dus dieper te liggen en kan meer bodemoppervlak bevist worden. Aan de aflandige zijde ontstaat een omgekeerd effect doordat de koude onderstroming daar de spronglaag omhoog drukt. Soms komt de zuurstofarme, koude onderlaag daar zelfs tot aan de oppervlakte en hebben we als vissers aan die kant dus niets te zoeken. Metingen met een thermometer die op afstand is af te lezen (elektronisch met draad en meetelement), bij voorkeur vanuit een bootje, zijn aanbevelenswaardig.
Herfstomkering
In de loop van de herfst koelt het water af en zal er een moment ontstaan dat de boven en onderlaag dezelfde temperatuur krijgen (bij 10 tot 13 graden Celsius). De spronglaag verdwijnt en mede door de najaarsstormen kan al het water weer met elkaar gaan mengen. Dit betekent dat de vis weer op grotere diepte kan gaan azen, omdat daar weer zuurstofhoudend water komt. Aangepaste stekkeuze is dan noodzakelijk. Er kan ook nog een ander, minder gunstig, effect optreden: door menging van de grote hoeveelheid zuurstofarm water met de relatief kleinere hoeveelheid zuurstofrijk water, daalt gemiddeld genomen het zuurstofgehalte op de plas. Dit zal vooral het geval zijn bij zeer diepe wateren met een hoge organische belasting. Tijdelijk slechtere vangsten zouden het geval kunnen zijn.
Luchtdruk
Nogal wat karpervissers zijn er sterk van overtuigd dat de luchtdruk een belangrijke factor is voor de vangstkansen op karper. Voordat hier überhaupt een oordeel over gegeven kan worden eerst even een paar feiten op een rijtje:
Als we deze feiten goed bestuderen valt gelijk 1 ding op: De vissen merken luchtdrukverschillen waarschijnlijk niet eens op! Immers een beetje dieper of ondieper zwemmen staat gelijk aan een druk verschil wat nooit bij luchtdruk voor kan komen. Als een vis binnen 12 uur 50 cm omhoog gaat (!) en je trekt dit door naar de luchtdruk, dan zou er dus in 12 uur een daling van 50 hPa moeten optreden. Dit komt nooit voor, behalve misschien in tornado's.
Hoe komt het dan dat de luchtdruk dan toch wel effect op de vangsten lijkt te hebben?
Waarschijnlijk doordat de karpers wel gevoelig zijn voor veranderingen in het weer. Het gaat hier dus om een INDIRECT verband.
Interessant is ook de theorie van Schouten en Kempen, ik citeer
"Een andere oorzaak voor een verandering in aasgedrag wordt gevormd door de luchtdruk. Hoe vaak is ons al niet op de neus gedrukt dat een dalende luchtdruk ook gepaard met een vrij grote verandering van de weersgesteldheid. De temperatuur loopt dan bijvoorbeeld flink terug en omdat de wind daarbij ook nog eens meestal toeneemt koelt het water vrij snel af. In hoeverre de gedragsverandering dan het gevolg is van de
luchtdrukdaling dan wel van de temperatuurdaling is moeilijk te bepalen. Sommige karpervissers menen dat de daling van de luchtdruk op zich van geen belang kan zijn, omdat de karper deze nooit als zodanig kan waarnemen. Immers, als een karper een paar decimeter stijgt in het water heeft dat voor hem een zelfde vermindering van druk tot gevolg als een zeer grote daling van de luchtdruk. Het is dus inderdaad nauwelijks waarschijnlijk dat een karper een luchtdrukdaling dan wel -stijging ook daadwerkelijk opmerkt. Toch is het meermalen opgevallen dat actief azende karpers de volgende dag plotseling volledig passief waren, terwijl er ogenschijnlijk niets aan de omstandigheden was veranderd, behalve de luchtdruk, die dan meestal dalende was.
........
Een flinke daling van de luchtdruk heeft bijvoorbeeld een grootte van 30 hectopascal (= 30 mbar) . Dit komt ongeveer overeen met de druk veroorzaakt door een waterkolom van niet meer dan 30 cm. Zo'n forse
luchtdrukdaling heeft op de vis dus hetzelfde effect als wanneer deze 30 cm hoger in het water gaat zwemmen. Maar, is voor de karper de daling niet van groot belang, voor het microleven op de bodem van het water waarschijnlijk wel. Een massa muggenlarven bijvoorbeeld zal de plotselinge luchtdrukdaling
veel sterker beleven dan een karper. Zo niet, dan zullen zij in elkaar gedrukt worden bij een te lage lichaamsdruk, dan wel uitzetten bij een te hoge lichaamsdruk. Mogelijk is het zo dat een larf bij een plotselinge
luchtdrukdaling, dus een even grote drukdaling op de bodem, zijn lichaamsdruk niet snel genoeg kan aanpassen. Om te voorkomen dat hij opzwelt moet hij naar een plaats met hogere druk, dus naar beneden. Hij
kruipt de bodem in. Als de druk vervolgens constant blijft zal het beestje weer langzaam omhoog kruipen, onderwijl zijn lichaamsdruk aanpassend.
Natuurlijk is er in werkelijkheid niet sprake van 1, maar van een hele massa muggenlarven, die allemaal hetzelfde reageren. Als alle wormpjes de bodem ingekropen zijn is plotseling de natuurlijke voedselvoorziening van de karpers verdwenen, die daarop mogelijk voor korte tijd hun speurtocht stopzetten. Volgens deze theorie is het ook logisch dat het ene water gevoeliger is voor luchtdrukdalingen dan het andere. Is de karper hoofdzakelijk op kleine bodembeestjes aangewezen dan is de luchtdruk van groot belang. Is er echter een groot aanbod van dierlijk voedsel dat tussen de bodem en het wateroppervlak leeft, dan is die invloed waarschijnlijk minder groot. Bij een daling van de luchtdruk kunnen deze beestjes, indien nodig, gewoon een paar decimeter lager gaan zwemmen om het verschil te niet te doen. Naar alle waarschijnlijkheid echter spelen nog veel meer factoren een rol bij een naderende depressie, die wij nog niet allemaal kunnen overzien." einde citaat
Ik heb wel eens ergens in de literatuur gelezen dat de omgevingsdruk een effect zou hebben op de pH (zie hieronder) van het bloed van vissen. Waarschijnlijk wordt hier mee bedoeld dat de waterdruk effect heeft op het oplossen van gassen in het bloed van vissen. Duikers kennen dit verschijnsel als de caissonziekte waarbij er stikstofbelletjes in het bloed ontstaan als de duiker te snel naar de oppervlakte komt. Of een karpervisser wat met deze informatie kan is mij niet bekend.
pH of zuurgraad
Aan het eind van dit stukje kom ik tot de conclusie dat de pH waarschijnlijk niet erg van belang is voor de karpervisser, maar eerst even een stukje theorie:
De zuurgraad wordt uitgedrukt in de pH schaal.
Wat is pH eigenlijk?
Een logaritmische notatie van de concentratie zuur-ionen [H+] of base-ionen [HO-] in een oplossing. Een pH van 1 is extreem zuur, 7 neutraal en 14 extreem alkalisch. Een sterk zure stof brengt dus veel [H+] in oplossing, bijv zoutzuur, een sterk basische stof veel [OH-], bijv natronloog (gootsteenontstopper). Hoe zuurder hoe lager het getal dus, wat even wennen is.
pH van wateren.
De pH kan door natuurlijke oorzaken variëren van ca 4 (bijv. vennen op heides) tot wel 11 in voedselrijke meren. Wat minder bekend is, is dat deze waarden per dagdeel sterk kunnen variëren. Dus bijv. pH 7 in de ochtend en pH 10 in de middag. Dit heeft te maken met effecten van het zonlicht op algen en de samenhangende koolstofkringloop. Ook regenbuien hebben invloed, alsmede gemalen e.d.
Flavours en pH
Op zich is er wel iets te zeggen over het effect van flavours met betrekking tot de pH van het water. In sterk basische wateren zal een flavour op een zure basis (lage pH) gewoon minder goed werken en andersom. Het effect (dus het uitzetten van een geurspoor) wordt als het ware verzwakt bij een onnatuurlijke pH.
Gezien de sterk schommelende pH van een water kom je natuurlijk makkelijk bedrogen uit als je met dit gegeven aan de slag gaat!
De praktijk
Wat kan een karpervisser doen met deze informatie met betrekking tot zijn aas? Nou niet al te veel eigenlijk. Het natuurlijk voedsel van de karper (slakjes, kreeftjes, wormen, mosselen, algen, zaden etc.) kent ongetwijfeld ook vele verschillende zuurgraden. Dit geldt dus ook voor het water waarin de karper zwemt. Kortom hoewel interessant, een niet erg bruikbare factor in de praktijk.


