Gekronkel 44 – De verlaten plas en Het afsluitwater
Arjen Lans
Vanaf een afstandje kijk ik naar mezelf en moet eerlijk toegeven dat de drive om op de plas door te gaan verder en verder afneemt. Al een tijd flirt ik in gedachten met andere wateren. Regelmatig bezoek ik ze, al dan niet met peilgerij en voer. Het wordt vrij voorspelbaar op de plas. Ik hoopte op 10 vissen dit jaar op de plas. Dat zijn er inmiddels heel wat meer, met daaronder een stel grote vissen. Ik besluit dat het langzaam tijd wordt om voorlopig afscheid te nemen. Doorgaan tot aan de winter gaat niet gebeuren, maar direct het bijltje er bij neerleggen ook niet.
![]() |
| Onze jongste, Iris, met een beste vangst |
Stevig doorlopen gaat over in rennen. Mijn schouders doen pijn, de banden snijden in mijn vlees. De donkere wolken zijn echter niet te negeren. Een grote depressie blaast razendsnel mijn kant op. Voor het losbarst moet de paraplu staan om de boel droog te houden. Daarna maakt het me niet uit wat er gebeurd.
Eenmaal op de stek aangekomen, ben ik getuige van een wonderlijk fenomeen. De wind komt pal uit het zuiden en neemt de depressie mee. Er valt geen regen. Recht boven me breken de wolken open, terwijl zowel ten oosten als ten westen het noodweer toeslaat. Op een enkele druppel na houd ik het droog. Dat is wel eens anders geweest. Mijn kies heeft de zoveelste behandeling ondergaan. De pijn is minder waardoor mijn gemoed ook stukken positiever is. Tot diep in de nacht sta ik over het water te turen, lang nadat de ganzen hun plek hebben gevonden.
Het voer is verspreid over twee grote plekken, een meter of tien achter de plekken waar het haakaas te water gaat. Zodoende vis ik dus niet boven op het voer maar ruim van de plekken vandaan. Hopelijk zijn er op deze manier de schuwe vissen, die de drukke voerplekken mijden, te vangen.
Het is inmiddels twee uur. Nu verwacht ik niets meer. Bij het eerste licht is er weer een grote kans op actie. Na een paar uur slaap, wekt een schreeuwende beetverklikker me. Niet lang daarna ligt de eerste schub in het net. Pond of zestien. Ik haal haar het water niet uit. Even een fotootje en dan mag ze weer zwemmen.
Het komende half uur krijg ik nog twee beten. Beide schubs, waarbij er één originele schub bij zit. Deze kende ik nog niet, wat de vreugde alleen maar groter maakt. De andere is ook een schub van hetzelfde kaliber als de eerste. Omdat de camera toch nog klaar staat mag ze even modelleren.
Het afsluitwater, dat me dit voorjaar zo vriendelijk was wat van haar schatten toe te schuiven, lonkt. Op de één of andere manier is de roep zo sterk dat ik besluit een doordeweeks nachtje te maken op dit water. Sinds mijn vertrek in april vraag ik me al af of er nog onbekende vissen zwemmen. De drang is te sterk, ik moet toegeven.
Het vissen hier is geen sinecure. Het water ligt midden in een militair terrein. De enige manier, om er je gang te kunnen gaan, is om er in het donker zonder lichten in te rijden, de spullen te dumpen en er weer uit te rijden. En dan nog moet je uitkijken. Er worden vaak oefeningen gehouden door de mariniers uit Doorn. Die moeten zo nodig midden in de nacht de rivier oversteken om vervolgens kletsnat allerlei oefeningen te doen. Iedereen zo zijn hobby.
Zodra ik de spullen heb neergelegd, zet ik de auto een kilometer verder weg. Binnen een half uur na het ingooien vang ik een schubkarper die op een haar na 20 pond weegt. Dat is dan tot zover de tweede schub die ik hier gevangen heb. Het gros bestaat uit spiegelkarpers tussen de veertien en negentien kilo. Vlug maak ik een foto en laat hem weer zwemmen. Deze schub is niet dezelfde als de vis die ik in het voorjaar ving. Leuk!
| Militaire schub |
Rond een uur of één zie ik een legerjeep naar mijn auto rijden, althans hij rijdt die kant op en stopt waar de auto ongeveer moet staan. Niet lang daarna komt er een tweede. Veel activiteit en met zaklampen schijnen. “Als ze nou met een nachtkijker aan de gang gaan ben ik er bij”, bedenk ik me. Een kwartier later rijden ze weg. Niet lang daarna krijg ik een run. Dan zie ik in de verte één van die jeeps terug komen, mijn kant op. Ik kan maar één ding bedenken: tussen het riet en de brandnetels, plat op mijn rug. De vis geeft te kennen een stevig potje te willen vechten. Zo lig ik op de grond met een hengel die ik zover mogelijk het water in duw. De Jeep rijdt vlak langs me heen. De mannen zien me niet. Pas als ze een eindje weg zijn durf ik op te staan. De vis laat niet met zich sollen maar moet zich uiteindelijk toch gewonnen geven. Voor me ligt een waanzinnig mooie rijen/ spiegel van ruim11 kilo. Ook deze vis heb ik dit jaar nog niet eerder gevangen.
| Militaire rijen/spiegel |
Tegen tweeën val ik onrustig in slaap, maar plotseling hoor ik gestamp van laarzen. Twee meter van de struiken waarin ik zit, loopt er een groep soldaten voorbij. Midden in de nacht! Die zijn gek, al zal die mening wederzijds zijn.
Rond een uur of zes is het tijd om in het donker op te ruimen. Terwijl ik naar de auto loop om die op te halen, zie ik zo’n camoujeep verdekt opgesteld staan. Ik kan geen kant meer uit. Gewoon doorlopen en je er uit kletsen, bedenk ik me. Als ik nonchalant langs de wagen loop zie ik twee kerels in dennenboompakken zitten. Ze maffen allebei een gat in de ochtend. Grinnikend loop ik door en rijd de auto met een omweg naar mijn spullen. Ik heb in ieder geval weer een mooi verhaal voor de komende verjaardagen.
Mijn rentree op dit water kon ik niet beter voorstellen. Twee vissen die ik dit jaar nog niet eerder gevangen heb. Ik ben benieuwd hoe het met de grote spiegels gaat. Misschien kan ik het antwoord daarop de volgende keer geven.
Tot ziens,
Arjen
Voor reacties, aanvullingen of vragen kunt u een bericht plaatsen in de reactiebox








































