Najaar 2003 Deel 1
Arjen Lans
Het is begin september 2003. Nederland geniet van één van de warmste zomers ooit. Wekenlang zonneschijn, wekenlang temperaturen van boven de 28 graden. En zo ook vandaag, op deze nazomerse middag, als ik, enkel gekleed in zwembroek, stapje voor stapje door het water waad. Gisteren liep ik hier ook, ongeveer 50 meter naar links. Op één van de verzonken legakkers, op 1.60 meter water stootte, ik op een oude boot. Eerst was het een plank, toen een balk waar m’n tenen op stuitten. Heel voorzichtig stond ik met m’n benen wijd op de zijkanten van wat misschien wel een paar honderd jaar oude roeiboot was, toen ik uitgleed. Een diepe snee aan de zijkant van mijn rechtervoet was het gevolg. Het bloed bleef maar stromen. Vier zwaluwstaarten waren nodig om de randen van de snee tegen elkaar aan te drukken. M’n speurtocht was voor die dag over.
Vandaag heb ik bootschoenen aan. Elke stap die ik zet doet mijn been een halve meter diep wegzakken in de zachte prut. Soms stuit ik op harde grond, maar telkens blijkt het om een smalle richel te gaan. In deze uitgestrekte weidse zee, waar de bodem bijna geheel bestaat uit prut waar je zonder moeite een steekstok meters in wegdrukt, ben ik op zoek naar goud. Goud in de vorm van een grote harde plaat. Volgens de verhalen van de rietsnijder moest ze hier liggen. Die rietsnijder is dagelijks op het water en kent het water als was het z’n achtertuin. Een boom van een kerel, met handen als kolenschoppen. Iemand die, als je met hem bevriend bent, zelf in z’n boot stapt om stekkenpezers van de stek die jij aanvoert te sturen, maar dat is weer een ander verhaal.
Twee uur later stap ik nog steeds door het water. Eigenlijk moet ik wat drinken, maar dat betekend 200 meter naar de boot heen en terug. Nog maar even doorgaan. 5 verzonken legakkers verder kan ik zowaar 2 stappen op harde grond zetten, maar de hoop is ijdel want bij de derde stap zinkt ze al weer in m’n (boot)schoenen. In vredesnaam wat doe ik hier op deze bloedhete middag. 33 Graden en die ploert blijft maar branden. Vandaag zijn we geen vrienden. Duizelig kijk ik om me heen. Alleen m’n hoofd komt hier boven water. De vraag naar het waarom kan ik wel beantwoorden. Ik houd van dit water. Water met een verhaal. Water dat zich lang geleden heeft vermengd met het zweet van de honderden mannen die er van vroeg tot laat in werkten. Water dat de arme drenkelingen of slachtoffers van misdrijven verzwolg. Water dat het voedsel draagt van de uitgestrekte rietvelden die het omzoomt. Water dat het voedsel draag voor de vissen die het herbergt. Oude vissen, grote vissen.
Eindelijk vind ik aan het begin van de avond dat wat ik zocht. Achteraf bekeken vraag je je af hoe je het hebt kunnen missen, maar kom er maar op. Vijfenzeventig bij honderdvijftig meter harde veenbodem. Hard genoeg om er op te staan. Hard genoeg om m’n boilies niet weg te doen zakken. Staand, midden op de plaat, weet ik zeker dat de stek goud is. Slechts een paar vaste vissers breng ik op de hoogte. Dezelfde vissers die vorige week nog m’n klaagzang hebben aangehoord. Vanaf de opening van het seizoen heb ik elke vrijdagnacht op de plassen gevist. Heel veel uren die ten koste van het gezin gaan geïnvesteerd. Elke nacht vissen betekent 2 voerdagen die er aan vooraf gaan. 55 km heen, een uur varen en voeren en 55 km terug. Tijd die door sommigen in mijn omgeving als weggegooid wordt beschouwd. Ze zullen het nooit begrijpen.
De zomer was qua vangsten slecht. Niet dat het me verwonderde met dit weer. Iedereen klaagde steen en been. Af en toe een vis die de burger moed gaf. Het wachten was op een radicale omslag van het weer. Begin augustus was ik zomaar op een serie dikke vissen gestuit. Het succes smaakte goed, maar wat een deceptie toen bleek dat 2 vrijdagen later er zeven boten op een stukje van 500 meter lagen. De strook waar ik lag was bekend. Slechts een verharde rietkop kon je claimen. Meestal hielden de vaste vissers van dit gedeelte van het water rekening met elkaar. Het waren nu bijna allemaal vreemde boten die op het gerucht aan waren komen varen. Ik baalde vreselijk. Ik nam toch niet al die moeite om me in te laten sluiten? Bijna niemand ving die bewuste nacht. Herman had er 2, waarvan een 23-er de grootste was. Mijn moeite werd slechts beloond met een schubje van 17 pond. De situatie in ogenschouw nemend moest ik tevreden zijn, maar toch knelde er iets. Was het niet dat ik dit water beviste om de vrijheid die het me bood? De ruimte om me heen, de stilte. Bovenal die stilte...
![]() |
| “Begin augustus was ik zomaar op een serie dikke vissen gestuit” |
De vrijdag er op lag er weer een vloot aangemeerd. Het roer moest om. En gelukkig lichtte de rietsnijder een tipje van de sluier op. Ik had er al een keer eerder in de buurt gevist. Toen viste ik richting een smalle doorgang naar een andere plas. Op de kop van het riet stond een meter water boven een keiharde bodem. Een scherp taludje, 2 meter van het riet, ging op anderhalve meter diepte over in diepe prut. Begin juni lagen op dit ondiepe plateau 2 hengels. De nacht leverde niets op, maar tussen half 5 en zes uur ’s ochtends kreeg ik 3 runs. Waarschijnlijk vissen die het natuurreservaat uit- of introkken. Dit plaatje voor de rietkop kon ik blijven bevissen. De twee andere hengels konden verspreid op de grote harde plaat liggen die ik net had gevonden. De boot moest wel zodanig in de steekstokken liggen dat ik eventuele vissen, komend van de rietkop, voor een in het water liggende boom kon blokken.
| Bertil in de mist |
Bertil krijgt me bijna aan het twijfelen. “Denk je dat we vannacht gaan vangen?” “Het is toch een nieuwe stek, hoe weet je dat nou?”. Zo gaat het maar door. Via de mail, aan de telefoon en op weg naar de stek. We vissen om de run, en ik verzeker hem dat de eerste voor hem is. De lijnen worden met het bijbootje uitgevaren. Niet dat de stekken niet aan te gooien zijn, maar ik wil dat de stiffrig goed zijn werk kan doen. Als je gooit bestaat er altijd de kans dat de draaiende lus bij het lood in de semi-harde bodem getrokken wordt. Tevoren heb ik twee keer een kilo op de kop van het riet gegooid en twee keer een kilo verspreid over de harde plaat. Om acht uur trekken we een biertje open en kletsen we de tijd voorbij. Af en toe worden we gestoord door de sms-jes van een gezamenlijke kennis die op Loosdrecht z’n netten aan het vullen is. Karels najaar is goed begonnen. Net als we willen gaan slapen, komt de eerste beet van de rietkop en even later ligt er een projectbelgje op de mat. Bertils eerste van de plas is binnen. Een foto van de linkerflank en ze mag weer zwemmen. Snel de lijn weer uitvaren en we draaien ons weer op onze zij. Midden in de nacht fluit een plaathengel het uit. Zonder veel problemen komt er een fraaie schub binnen. “Ik zei het toch”, zeg ik tegen Bertil. “Als een hengel van de plaat af gaat, is het een mooie”. De teerling is geworpen.
![]() |
Volgende week volgt deel 2. Hierin kunnen jullie lezen hoe ik de angstigste momenten uit mijn leven doormaakte.
Groeten,
Arjen
Voor reacties, aanvullingen of vragen kunt u een bericht plaatsen in de reactiebox







































