Rot@ry Letter
12.1 Stekkeuze en Aanpak
Jeroen Houdijk
vorige
Voordat ik in ga op het onderwerp stekkeuze en aanpak is het nodig een en ander af te bakenen. Ik ga het niet hebben over stromend water, betaalwateren of bootvissen omdat deze aspecten al aan bod komen (of zijn geweest, moment van schrijven is december 2005) in andere rot@rybijdragen. Ik zal mij in moeten houden om niet te reppen over het vissen op groot water (al dan niet in het buitenland) of targetvissserij. Gezien de beperkte ruimte en om het overzicht te bewaren beperk ik mij tot de aanpak en stekkeuze op niet al te groot afgesloten water. Van stadsvijver tot zandafgraving, wateren tot zo'n vijfentwintig hectare. Hoe kun je een water het beste bevissen met de middelen die voor iedereen beschikbaar zijn?![]() |
| Ook deze kwam niet alleen, van een verafgelegen stek |
Aanpak
Hoe kom je aan een water?
Vaak hoor je zeggen dat iemand een water aan gaat pakken, meestal wordt hier dan een langdurige voercampagne mee bedoeld. Ik doel hier op een heel andere aanpak. Allereerst; welk water ga ik bevissen? Er zijn verschillende manieren om aan een water te komen afhankelijk van je plannen. Ga je voor een bekender water dan is het eenvoudig, anderen zijn je al voor geweest en informatie ligt voor het oprapen. Leuker is het om te gaan kijken bij een water of het je bevalt, wanneer het gaat om veel te vangen of juist omdat je nieuwsgierig bent naar wat er zoal rondzwemt. Je kunt bijvoorbeeld in de lijst met nachtviswateren gaan zoeken of een water bezoeken waar je mag vissen met de vergunning die je nog hebt van het vorige water dat je hebt bevist. Door je ogen open te houden kom je natuurlijk ook wateren tegen. Het bestuderen van oude kaarten kan ook behulpzaam zijn wanneer je niet op versgegraven putjes wilt vissen. Op oude kaarten staan wateren waar oude (dus grote?) vissen zwemmen. De dikte van de bomen langs een water zegt vaak heel wat over de potentie van een water. Alles hangt natuurlijk af van de bezettingsgraad van het water en de beschikbare hoeveelheid voedsel. Ik begin af te dwalen, visioenen van nooit eerder gevangen reuzen spelen door mijn hoofd.
Voorbereiding
Wanneer ik eenmaal op een water terechtkom waar ik nog niks van af weet is dat het eerste waar ik verandering in ga brengen. Voordat ik mijn hengels meeneem wil ik eerst weten of een water interessant is om te bevissen. Zijn er andere vissers bezig of geweest dan kunnen die waardevolle informatie hebben. Het kan lonen om daar veel tijd in te steken, sommigen hebben daar een ware specialisatie van gemaakt, in plaats van onderlijnen, aas of fotografie. Ook ik hou wateren en vangsten stil, terwijl ik aan de andere kant zoveel mogelijk te weten wil komen van ieder 'nieuw' water. Krom gedoe, wat dat betreft zouden syndicaatwateren een uitkomst zijn, waar veel meer openheid is. Wanneer je alles zelf moet uitvinden zijn gegevens van eventuele uitzettingen en afvissingen waardevol. Daarvoor moet je weten wie de visrechthebbende van het water is. Dat is sowieso wel handig om te weten wanneer je besluit er te gaan vissen in verband met de vergunning. De warmere maanden lenen zich uitstekend om te weten te komen wat er zoal zwemt op een water. Zwemt er überhaupt iets zonder snavel? Om daar achter te komen moet je soms veel aan het water zijn.
In de praktijk ben ik niet met een water tegelijk bezig. Wanneer ik aan het vissen ben op het ene water ben ik intussen aan het kijken op andere wateren. Zo kan het dus gebeuren dat ik na een zomer van observeren op een water er alsnog niet ga vissen. De wintermaanden zijn bij uitstek geschikt om te peilen, omdat er dan minder waterplanten zijn. Het hele jaar rond zijn er zo mogelijkheden om meer te weten te komen over het water. Voordat het dan van vissen komt is er soms behoorlijk wat tijd verstreken. Misschien is dit wel de leukste periode van een water, wanneer het nog geheimen kent. Het vergaren van informatie over het water gaat trouwens gewoon door wanneer ik aan het vissen ben. Foto's van vissen komen er bij en het plaatje wordt steeds completer.
![]() |
| Gevlochten lijn is een must voor het peilen |
Effectief vissen
Ik geef er de voorkeur aan korte sessies te vissen om zo snel een water te leren kennen. In dit stadium vis ik instant of ik voer eens een dagje van tevoren. Langdurig voeren doe ik alleen als ik het water voldoende denk te kennen. Een vastomlijnde voertactiek gebruik ik dus niet als ik begin op een onbekend water. In de beginfase probeer ik uit te vogelen hoe ik de verschillende stekken op het water kan bevissen en vooral wat ik daar voor nodig heb. Zo sleep ik geen onnodige spullen mee naar het water zodat ik ook verafgelegen stekken kan bereiken. Hierbij probeer ik wel rekening te houden met alternatieve plekken, zodat ik als ik wil verkassen altijd lange steunen of een waadpak uit de auto kan pakken mocht dat nodig zijn. Moet de kruiwagen mee ja of nee, dat soort dingen.
Procentjesdenken
Eigenlijk alles wat er toe bij kan dragen dat ik op jaarbasis meer vang probeer ik uit. Kleine dingetjes, zoals het laten afzinken van de lijn en zachtjes aan komen lopen op de stek (ook bij het voeren) kunnen net dat verschil maken. Niet normaal hoe snel watervogels doorhebben dat je aan komt lopen, voor de karpers is dat niet veel anders. Aangezien ik een hekel heb aan verspelen neem ik niet veel risico met te bevissen stekken, iedere verspeelde vis is er een te veel. Dan vang ik maar minder. Iedere aanbeet moet verzilverd worden, voor mij dus geen langstelige haken of tussen obstakels vissen. Procentjesdenken is prima, maar het vissen moet wel weidelijk gebeuren zoals dat zo mooi heet. Daar hoort voor mij ook het vissen met dikkere lijnen bij. Liever een blank dan een verspeelde vis.
Stekkeuze
Peilen
Om te kunnen beslissen waar je gaat vissen is het van het grootste belang om de dieptes en de bodemgesteldheid van het water te kennen. Een eerste wandeling om het water geeft al vaak een aardige indruk. Zeker wanneer je een water langer wilt bevissen is het handig om een kaart van het water te maken. Mijn waterkaarten lopen uiteen van een paar strepen in het zand tot in detail uitgewerkte tekeningen. De basis voor zo'n tekening is vaak een printje van een routeplanner zoals je die op internet kunt vinden. In combinatie met luchtfoto's en de situatie ter plaatse kun je nauwkeurig de omtrek van het water tekenen. Toch verbazend hoe anders het er van boven uit kan zien! Met potlood werk ik vervolgens alles uit. Je kunt het gerust ook met pen doen, dat geeft leuke effecten wanneer het gaat regenen.
![]() |
| Een middagje peilen |
De omgeving van het water, paden, bomen, bebouwing, alles wat van belang kan zijn kun je aangeven. Om de dieptes op de juiste plek aan te geven maak ik gebruik van hulplijnen die een gelijke afstand van de oever voorstellen. Eerst een lijn op twintig meter uit de kant, dan een op dertig meter uit de kant, net zo lang totdat het vel gevuld is. Eventueel kun je dan nog extra lijnen (noord-zuid en oost-west bijvoorbeeld) intekenen om het water in segmenten te verdelen. Door steeds haaks op de oever te werpen kun je heel precies de dieptes intekenen.
De afstand bepaal ik door stuitjes op de lijn te zetten. Het eerste stuitje komt pas op twintig meter, omdat deze anders verhindert dat de dobber kan stijgen vanaf dieptes onder de tien meter. Ik heb wel eens nylonlijnen gezien die iedere tien meter van kleur verspringen, maar een gevlochten uitvoering ben ik nog niet tegengekomen, dat zou de ideale lijn zijn om mijn peilhengel mee op te tuigen. Voor alsnog gebruik ik dus een goed zichtbare, gevlochten lijn.
Wanneer je na het ingooien de lijn strak houdt om de impact op de bodem te kunnen voelen valt het lood altijd iets terug (pythagoras), dat is een structurele fout die ontstaat wanneer je op deze manier de afstand bepaalt. De diepte kan wel behoorlijk nauwkeurig worden gemeten door steeds een zelfde hoeveelheid lijn van de spoel te trekken. Daartoe heb ik een opvallende wikkeling gemaakt op mijn peilhengel, vijftig centimeter van de lijnroller van de molen. Wanneer je ook nog eens rekening houdt met de lengte en de hoek van het zijlijntje waar ik het lood aan bevestig en hoe diep dat lood in de bodem slaat dan blijkt wel dat ik hierin behoorlijk ver ga. Wanneer het om vierkante meters gaat en diepte verschillen van decimeters kan dat wel eens het verschil maken, procentjes weer.
Lokaliseren
Naast de dieptes en bodemgesteldheid kun je ook aangeven waar en wanneer de vis zich bevindt, daarvoor zul je ze eerst moeten zien, horen of vangen. (Ruiken lukt me nog steeds niet, mijn gebrek aan 'watersense' zal ik toch moeten compenseren) Binnen de targetvisserij kan je zelfs bijhouden waar en wanneer welke vis zich ergens bevindt. Daartoe kun je besluiten ergens niet te gaan vissen ook al weet je dat er wel vis zit. Ook als je niet achter een bepaalde vis aan zit, maar gewoon vis wilt vangen heeft het soms geen zin te vissen waar je vis ziet op het moment dat je aankomt. Vooral de timing is belangrijk, afgelopen zomer had ik zoiets aardigs. Een aantal dagen zag ik steeds vissen op een ondiep gedeelte van een water. Toen ik mij installeerde wemelde het er van de karper. Zodra de zon onder ging vertrokken de vissen. Zuurstof was het sleutelwoord in deze situatie, er stond namelijk veel wier in dat gedeelte. 's Nachts vissen tussen het wier was niet de beste keuze. De volgende ochtend vroeg waren ze weer terug, maar toen moest ik foto's maken aan de andere kant van het water bij een minder wierrijke stek.
![]() |
| Vissen is toch een mooi excuus om buiten te zijn |
In bovenstaande situatie kon ik de karpers zien en in de nacht horen. Frank Warwick kwam (tijdens Carp 2005?) op de proppen met een methode om karpers te lokaliseren door lijnzwemmers te forceren. Hoe komt het toch dat de Engelsen meer lijnzwemmers krijgen terwijl er minder brasem zwemt? Is het een sterke verbeeldingskracht aangewakkerd door de vele blanks op de bikkelharde wateren aldaar? Of komt het doordat wij zo lomp vissen? Het is niet nodig om verder te vissen dan dat de vis zwemt. Om die reden zou je best altijd met de toppen in de lucht kunnen vissen zodat je gewaarschuwd wordt door lijnzwemmers wanneer er vis dichtbij zit. Ik ben bang dat het niet zo eenvoudig werkt, een zijwaartse verplaatsing van de lijn wordt zelfs door zeer gevoelige piepers niet altijd opgemerkt. Toch krijg ik wel veel valse piepjes wanneer de vis los is, zouden dit allemaal beroeringen zijn van het haakaas?
Zwemroutes
Afgelopen najaar beviste ik de onderrand van een talud, ik had twee hengels een meter of twintig uit elkaar liggen. Op de linkerhengel kreeg ik gedurende de hele nacht piepjes en op de rechter niet, terwijl ik ze hetzelfde viste. Toen ik de plek beter uitpeilde bleek dat de bodem iets opliep voor de rechterhengel. Die lag in feite in een doodlopende geul die als het ware werd afgesloten door de linkerhengel. Dat verklaarde een boel! Wanneer ik de stek beter had gepeild, dan had ik die hengel daar nooit gevist. Ik probeer de zwemroutes van de vis te visualiseren en die pas ik in gedachte steeds weer aan, een vangst of een springende vis kan je kijk op een water ineens veranderen. Want daar gaat het uiteindelijk om, waarom is die vis daar waar die is op dat moment.
In eerste instantie is het handig om gebruik te maken van de dingen die je aan de oppervlakte ziet zoals riet en de welbekende overhangende boom, maar onder water is er maar al te vaak iets anders aan de hand. Ik laat me dan ook vooral leiden door de karpers en niet door de schoonheid van een stekje. Denk als een karper, blub blub.
Geen lokalisatie mogelijk, wat dan?
Helaas komt het soms voor dat er geen teken van karper te bespeuren valt. Wanneer je bijvoorbeeld aankomt in het donker wordt het lokaliseren van de vissen al een stuk lastiger en dan zul je toch ergens moeten gaan vissen. In deze situatie, die meer voorkomt dan mij lief is, moet ik teruggrijpen op vergelijkbare situaties uit het verleden. Het is natuurlijk mooi als je dan kunt vissen op een voerplek. Uit mijn vangstgegevens blijkt dat er bij het merendeel van mijn sessies dat ik twee, drie of meer vissen ving sprake was van enig voeren daar waar ik de vis had gelokaliseerd. Dat hoeft dus niet steeds op dezelfde plek geweest te zijn. Wanneer ik de vis dus niet vind, sta ik dus voor de keuze te gaan vissen op de voerplek, waar ik de vis voor het laatst heb gevonden, of op de volgende stek langs de zwemroute. Wanneer een of beide plekken al bezet zijn, dan heb je dus een probleem. Dit is de voornaamste reden dat het vissen op dressuurwater lastig kan zijn, niet de vissen, die eten wel. De keren dat ik een enkele vis ving was er vaker sprake van instant vissen. Niks vangen komt ook geregeld voor, maar veel vangen op een voerplek zonder enig teken van vis (ook witvis) is toch wel een zeldzaamheid.
![]() |
| Kaarten zijn onmisbaar, alle documentatie bewaar ik per water |
Moeilijk bereikbare stekken
Nog even kort over moeilijk bereikbare stekken, opblaasbootjes hebben op veel wateren een boel verpest. Je kunt er donder op zeggen dat het wanneer een gedeelte van een water meer wordt bevist dat een gedeelte van de vis makkelijker vangbaar is op de moeilijk bereikbare stekken. Dat dit puur en alleen te wijten is aan de hengeldruk blijkt wel uit een water waar de toegangsweg werd verlegd naar de andere zijde. De moeilijkst bereikbare stek werd ineens de eerste plek waar je aan komt. De eerder druk beviste stekken werden met rust gelaten en waren toen de beste plekken. Toenemend bootgebruik maakte daar snel weer een eind aan. Er zijn vandaag de dag nog maar weinig wateren waar het loont om op een moeilijk bereikbare stek te gaan zitten alleen om die reden. Op sommige wateren zijn de moeilijkst bereikbare stekken juist de meest beviste stekken, omdat niemand daar wil vissen…
Hopelijk kunnen de volgende rotaristen hier wat mee, aanpak en stekkeuze zijn veelomvattende onderwerpen en ik heb er uit gelicht wat er als eerste bovenkwam. Veel lees- en schrijfgenot toegewenst en bovenal; vang ze!
Voor reacties, aanvullingen of vragen kunt u een bericht plaatsen in de reactiebox







