Cover van het boek 'Succesvol vissen op grote karper'


Het eerste boek van Evert Aalten, Succesvol vissen op grote karper, is helaas niet meer te koop. Wij kunnen u het boek ook niet geven, maar na overleg met Evert hebben wij toestemming gekregen om het belangrijkste hoofdstuk namelijk "DE VOERSTEK" te publiceren. Hierin staat werkelijk alles over het opbouwen van de voerstek, het afromen van de voerstek, de voerhoeveelheden in de verschillende jaargetijden etc. etc. Het is eigenlijk DE leidraad voor iedere karpervisser!!



Waarom leggen we een voerstek aan? Wat is het idee erachter en wat houdt het in, het voeren vooraf? In feite is het een gedegen voorbereiding op de vistrip enkele dagen later, in de hoop met enige zekerheid visplezier te hebben en beloond te worden met een mooie vangst. Alles maar op zijn beloop te laten en af en toe eens een hengeltje uit te gooien, is op de lange duur niet zinvol meer. Je wilt immers ook vangen. Regelmatig zonder vis thuis komen, leidt uiteindelijk tot het afhaken van de prachtige sport die 't karpervissen is. De afgedwongen vangst, het zelfvertrouwen en zeker visplezier, daarin ligt mijn motivatie voor het gebruik van een voerstek. De beloning is soms groot en slechte weersomstandigheden vormen dan geen beletsel meer.

Bijten ze niet, ondanks een goede voorbereiding, dan heb ik hier vrede mee. Veelal kan ik de oorzaak achterhalen. Orde in chaos, dit is de term die tekenend is voor mijn hele visserij.

Waarom 'pre-baiting' of het voeren vooraf? Vooraf betekent: eerst enkele dagen lang naar het viswater te moeten gaan om er het meegenomen voer op een zorgvuldig uitgekozen stek neer te strooien. Dit gebeurt niet zomaar in het wilde weg. Er is bijvoorbeeld gepeild, de bodemstructuur bepaald (hard-zacht), de watertemperatuur opgenomen en gekeken of er al eerder is gevist. Ook het neerstrooien zelf vereist een bepaalde precisie. Niet te wijd en niet te veel op een hoop. Denk na! Je bent niet de kippen aan het voeren! Netjes en doordacht wordt er afhankelijk van het aas een duidelijk voertapijt gelegd. Goed geconcentreerd en zo voor een karper duidelijk herkenbaar als de plaats van een makkelijke voedselbron. Het tapijt wordt de volgende dag opnieuw aangelegd en zo verder. Het gewenste effect is als volgt te beschrijven: de karper eet van het voedsel, keurt het goed en heeft een gevoel van welbehagen, ook na een langere eetperiode. De vis associeert het gevonden voedsel met de vindplaats - de visstek - en blijft in de buurt rondhangen. Of hij zwemt weg om later opnieuw te schransen, al dan niet in aanvulling op zijn natuurlijk voedsel.

 

1 Het doel van de voerstek is:

De karpers ‘vasthouden' of 'terug te laten komen'.

Aast de vis tijdens de eerstvolgende sessie, dan behoeft de visser in het ideale geval alleen de desbetreffende karpers even op te wachten in een beperkt aantal visuren. Mits juist gekozen, zijn vier tot zes uur vissen ruim voldoende voor het beoogde resultaat. Het zal de lezer opvallen dat ik het heb over de 'desbetreffende' karpers. Een enkele grote dominerende vis, een groep, het zijn altijd een paar individuen die de juiste associatie hebben gemaakt. Op die exemplaren vis ik. Juist op groot water is dit het belangrijkste doel van een voerstek. Ik geloof niet in het aanleggen van een voerstek - zeker op groot water - met als doel de gewenning aan een bepaald soort aas. Ook niet ter introductie van harde boilies. Naar mijn stellige overtuiging neemt een karper ook de eerste maal vlot een vreemd voedsel tot zich. Denk aan het vissen in kanalen zonder voerstek, waar boilies direct als voedsel herkend worden. Gewenning is zinloos op groot water als er niet de associatie met een bepaalde plaats aan gekoppeld wordt. De vis eet, zwemt weg en komt waarschijnlijk nooit meer terug. Gewenning is slechts nuttig in de associatie: plaats-voedsel. Voorts wordt hier nog eens het belang onderstreept van een juiste dagelijkse concentratie voer vooraf. Het bewijs dat ik juist op deze karpers vis? In de loop der jaren heb ik vele malen identieke ervaringen opgedaan en eigenlijk wordt het elke nieuwe sessie weer bewezen. De karpers liggen vaak gewoon te wachten en niet zelden is het binnen enkele minuten of een half uur prijs. Een uur wachttijd is normaal en een wachttijd van drie a' vier visuren is al lang. Zo kwam bij mij eens een 31-ponder na 45 minuten, een 32-ponder na 50 minuten en een 36-ponder na 30 minuten! Maar ditzelfde gold voor talloze 20-ponders en vele kleinere vissen. Soms had ik zelfs het idee dat dan de volledige buit al binnen was en verder wachten niet zo veel nut zou hebben. Immers die ene vis, dat was 'm. Volgegeten met een afgemeten hoeveelheid voer en dikwijls met resten van het aas in zijn ontlasting. Hierbij komt dat met name de grote vissen de stek vaak domineren en het voer geheel voor zichzelf opeisen. Vele malen heb ik langer gezeten na een topvangst, echter zonder noemenswaardig resultaat Wat wil nog meer? Je bent betaald met een enorme beloning, de stek is vandaag over en het'trucje' kan ergens anders worden herhaald. Het is toch niet zomaar dat die karper lag te wachten. Moet je eens kijken hoe lang je moet wachten zonder voerstek! Als ik alle wachttijden bij elkaar optel (gerekend over 't hele jaar, zomer en winter, goede en slechte stekken, inclusief blanks) en ik deel die tijd door het aantal gevangen karpers, dan heb ik nog maar een gemiddelde wachttijd van ruim vier uur per karper.

Evert met 'De Dikke' op 29 pond - Vinkeveen 1990De voordelen

1. Tijdbesparing. Er zijn veel minder wachturen, want karpers worden op de stek vastgehouden of komen terug. Relatief korte sessies van vier tot zes uur zijn mogelijk.

2. De 'selectie' van grote karper door middel van laag-eiwitpreferentie hetgeen kan leiden tot dominantie op de stek. De grote vis heeft er belang bij, de kleine niet of minder. ik geloof niet in een selectie van grote karpers door de grootte of de hardheid van de boilie. Wel in de witvisongevoeligheid ervan.

3. De aangevoerde karpers azen spontaan, zij hebben hun (natuurlijke?) wantrouwen afgelegd (confidence pressing). Ingewikkelde rigs zijn dan niet nodig en een goede standaardtechniek is voldoende, welke uitsluitend behoeft te worden aangepast aan de plaatselijke omstandigheden.

4. De overbodigheid van allerlei chemische middeltjes die dienen ter bevordering van de 'instant-respons'. De karper hoeft niet meer te worden overgehaald het visaas direct op te nemen. De karper kan er enkele dagen van eten en zich wel of niet goed voelen. ik bestrijd niet dat een goede smaak aan hetvoer zou kunnen meehelpen, maar alleen in beperkte mate. Flavours op wat voor basis dan ook, smaakversterkers, sweeteners, aminozuren, enzymen,

kleurstoffen en geheime middeltjes verliezen hun attractiviteit, als ze die a hadden. Bij gebrek aan kennis zeker niet gebruiken. Zeker op een voerstek komt het aan op het aas zelf, de kwaliteit en de bereiding ervan en niet te vergeten de juiste hoeveelheid voer bij een bepaalde watertemperatuur. De aangevoerde karper komt echt wel. Het kan een tijdje duren, maar hij 'weet wat hij zoekt. Zitje een karper op een niet-voerstek op te wachten, dan ben ik het volledig eens met de kracht van een goede 'instant-respons' en 'heads down' is dan een 'must' geworden.

5. Het goed en effectief bevissen van een stek vanuit een lastige positie. ik had eens een stek in een klein riviertje en viste er naar de overkant. Normaal gesproken niets aan de hand, maar al die jachten, die vooral in de zomertijd regelmatig langs varen, zijn voor de karpervisser een verschrikkelijke ergernis. Constant ophalen en ingooien is noodzaak. Op deze stek zat ik op een smalle berm van ander halve meter breed, waarachter een B-weg liep met plaatselijk verkeer. Gelukkig was heter behoorlijk rustig. Dan het vissen vanuit een roeiboot. Hoe lang hou je dat vol? Voorts een stek naast een spoorlijn, waar het geluid soms zo doordringend was dat je je vingers in je oren moest steken. Op dit soort stekken kan met enig doorzettingsvermogen nog wel vier tot acht uur worden gevist. Maar er een bivy opslaan om 24-48 uur aan een stuk door te brengen, is bijna onmogelijk.

6. Je valt als karpervisser niet zo vlug op. Stekkenpezers liggen altijd op de loer, ze willen profiteren van een ander, oogsten wat een ander heeft gezaaid. Gelukkig heb ik daar niet zo veel last van gehad. Waarschijnlijk wegens het vissen op groot water, waar 't vaak al moeilijk genoeg is en ikzelf slechts een of twee aanbeten kreeg in een gemiddelde sessie. ik ben trouwens wel zo dat ik wil vertellen dat ik ergens heb gevoerd als derden te veel in de buurt komen. Het is een probaat middel en iemand kan dan niet per ongeluk op je voerstek zitten. ik benader 'de vijand' menselijk, we hebben immers dezelfde hobby Harmonie werkt altijd beter dan een haat- en nijdverhouding. Geven en nemen is mijn parool. ik geloof niet zo in geheimzinnigheid en wil daarom niemand met een kluitje in het net sturen. Maar zomaar ermee te koop lopen waar ik vis, is het andere uiterste en is nou ook weer niet nodig. Rustig en zo mogelijk alleen een viswater kunnen bevissen, eventueel met enkele visvrienden, heeft toch zo z'n charmes.

De nadelen

1. Voeren is moeilijk of onmogelijk bij een grote afstand van buis. Mijn grens is maximaal 30 km. Gelukkig is Nederland het waterland bij uitstek en hoeft men in het algemeen niet eens zover van huis te gaan. Het mooist is een afstand tot ongeveer 10 a' 15 km en of je verder gaat, wordt hoofdzakelijk bepaald door de beschikbare tijd en de financiën. Er zijn echter gevallen waarbij voeren echt niet mogelijk is. En in dat geval kan ik me een ander soort visserij zeer goed voorstellen.

2. De tijdrovende voorbereiding. Niet ledereen heeft de tijd die nodig is om boilies te draaien, te koken en elke dag naar het viswater te gaan om er te voeren. Dit begrijp ik ook, maar waar een wil is, is een weg. Waar liggen de prioriteiten? Langdurige sessies in het weekend zijn misschien de oplossing en ze kunnen ook best succesvol zijn'. Het is maar hoe je je beschikbare tijd indeelt. Grote karpers komen niet vanzelf, hier is veel moeite voor nodig.

3. In een druk bevist water kan er nauwelijks op een 'eigen' stek worden gevoerd. Claimen is er niet bij, nooit trouwens. Overleg kan een uitkomst zijn, maar zijn er echt geen nieuwe stekken meer te vinden? Buiten de druk om kan juist goed gevangen worden. Ook op groot water geldt dit gegeven. Waar de meeste vissers zitten, is volgens mij de kans het kleinst om een echte 'bak' te vangen. En zo die er al is, moet ie wel gedeeld worden. Zit je alleen dan heb je zelf alle kans.

De te voeren hoeveelheid aas

Hoe wordt een voerstek opgebouwd en juist onderhouden? Een van de eerste dingen waar veel fouten mee worden gemaakt is de te voeren hoeveelheid aas. Daarnaast is het aantal dagen dat gevoerd wordt belangrijk, maar bier kom ik nog uitgebreid op terug. De uitgangspunten zijn voor een groot deel praktijkervaringen. In de loop der jaren heb ik zelf, evenals mijn vismaten, tientallen voerstekken bevist en aanvankelijk met wisselend succes. Je moet willen leren van je fouten en van die van anderen. Uiteindelijk geven de vangsten aan of je goed of slecht bezig bent.

Wanneer ik het ga hebben over de hoeveelheid aas en het aantal voerdagen dan geef ik in de eerste plaats mijn persoonlijke mening. Deze mening heb ik getracht zo zorgvuldig mogelijk te onderbouwen; door analyses te maken van jarenlange viservaringen van onszelf. De gegevens zijn voornamelijk gebaseerd op de meest succesvolle sessies met een duidelijk terugkerend patroon. Ook het fiasco, het falen onderzochten we. Het is moeilijk om het goed te doen, het continueren van het succes, dat is pas 'the art of gissing'.

Het meest objectieve uitgangspunt voor de dagelijkse voerhoeveelheid en voor welk voer je kiest, is volgens ons de watertemperatuur. De tijdsduur dat het voedsel in de darmen van de karper verblijft, varieert sterk met het verloop van de watertemperatuur In de zomer duurt 't slechts vijf tot zeven uur voordat de vis de restanten van het verteerde voedsel kwijt is. Maar bij 15o Celsius zit je al op tien uur. Om maar niet te spreken van de winterperiode, waar zeventien uur of nog langer een feit is. Zie de grafiek over de doorlooptijd in de darmen die niet alleen het belang van voedingsvezels aantoont, maar ook het belang van een goede dosering van de te voeren hoeveelheid aas.

Misschien vinden sommigen het beter de watertemperatuur niet op te nemen, voor mij is dan de onzekerheid groter. Door alleen naar het water te kijken, schiet ik niets op. Je kunt niet zien of het water 10,0o C of 16,0o C is. Opmeten kun je het wel. Voor de hoeveelheid aas is een min of meer betrouwbare maatstaf onontbeerlijk.

Het aantal karpers in het gegeven water? Je leest wel eens dat men dit als uitgangspunt neemt voor de hoeveelheid aas, maar ik vind dat onzin. Het gaat erom wat baalbaar is op een bepaalde stek, de stek die je hebt uitgekozen om te gaan bevissen. Op elk water, groot of klein, bestrijkt de gekozen stek slechts een bepaalde sector. De voerstek is goed wanneer op een redelijk korte termijn een beperkt aantal karpers of individuen zich op de bewuste stek gaan ophouden, dan wel er regelmatig terugkomen. Om dit te bereiken, moet moeite worden gedaan, soms zeer veel moeite. Zeker is dat een deel van de aangevoerde karpers verloren gaat door welke oorzaak dan ook. Terwijl zij toch van het aas op de stek hebben gegeten. Dit geeft niet, want we streven naar een haalbare piek die karakteristiek is voor elke stek per gegeven water.

Deze piek betekent de top in aantal en grootte der karper, die terplekke bereikbaar is. Enkele korte vissessies later weetje wat die top is.

Het gaat om de goede combinatie van het aantal voerdagen en de dagelijkse hoeveelheid aas en het regelmatig afvissen van de stek, die het beoogde succes zal kunnen geven. De belangrijkste fout die ik zelf veel heb gemaakt, is de stek nog beter te willen maken door bijvoorbeeld extra veel dagen te voeren en nog meer aas te gebruiken. Zo eenvoudig werkt dat niet in de praktijk. Het is een neiging die iedereen wel eens heeft, maar die onderdrukt moet worden en daar kom je door schade en schande achter.

Maar nu eerst de watertemperatuur als maatstaf voor de dagelijkse hoeveelheid voer. Op basis hiervan is een grove driedeling te maken, onafhankelijk van kalenderdata:

1. De zomervisserij.

2. De overgang van zomer- naar wintervisserij (en omgekeerd).

3. De wintervisserij.

1. De zomervisserij'

Het water wordt pas echt warm bij 18,0 o Celsius en hoger. Nu begint de zomervisserij. De lichaamstemperatuur van de karper varieert gelijktijdig met het stofwisselingsproces van de vis staat op het hoogste pitje. De vertering van het voedsel gaat snel tot zeer snel en de vis is niet gauw te verzadigen. Er is een rijkdom aan voedsel in de natuur voorradig. Vooral in de goede wateren is het voor de karpervisser onvoordelig te concurreren met de natuurlijke eiwitten. Het aas dient hoofdzakelijk te bestaan uit laag eiwit producten. Maar hierover hebben we het uitgebreid gehad in een eerder hoofdstuk. De activiteit van de karper is groot. De vis is dikwijls op trektocht, zeker op groot water. Indicatief is het enorme verspreidingsgebied, dit in tegenstelling tot in de koude periode. Eigenlijk kan de karper in de zomer op elke plek gevangen worden, diep of ondiep en dichtbij de oever of op afstand.

Het aasEvert met 4 kilo zomerboilies
Voor de boilies prefereren wij een laag eiwitpercen- tage van 10%-18% EV met een vezelgehalte van ongeveer 3-4 gr/240 kcal. De algemene norm voor de vetten is 15%-25% EV

Wanneer we de te voeren hoeveelheid boilies in gewicht uitdrukken is 1100-1300 gram, kant en klaar gewogen, voldoende. Maximaal voeren we 1500 gram per dag. In de praktijk had een groter gewicht geen extra effect. Meerdere testen in die richting leverden niets bijzonders op. Wat kan hiervan de verklaring zijn? De belangrijkste reden is het gegeven, dat je natuurlijk niet meer karpers op je voerstek kunt krijgen dan er langskomen gedurende de dagen dat je voert Een gemiddeld voergewicht van 1300 gram heeft een behoorlijk impact. Ook ten aanzien van een school - grote - karpers. Sessies van zes uur vissen met 70-100 pond karper kwamen voor en redelijk vaak konden er meerdere 20-ponders worden gevangen. Zeer belangrijk is de gretigheidsfactor die, in combinatie met de lagretigheidfactorie van de grote kweekkarper, ervoor zorgt dat met name de zwaarste vissen naar verhouding het meest terugkomen. De kleine karpers eten in eerste instantie wel mee maar ze komen er niet zo snel op terug. Het is een kwestie van uiteenlopende belangen. Omdat in de praktijk grote vissen nu eenmaal niet voor 't opscheppen liggen en je ze maar moet zien tegen te komen, is het gemiddeld rendement per sessie normaal. Namelijk twee tot vier aanbeten' is zeer goed op groot water, ook al heb je het gevoel dat er in de voorafgaande voerdagen meer karpers langsgekomen zijn. Als het erg goed ging, behoorden zes tot tien aanbeten toch tot de mogelijkheden'. Echter, het geforceerd met behulp van een groter gewicht dan 1500 gram boilies veel aanbeten willen afdwingen, lukte niet. Komen er niet genoeg karpers langs dan kan het effect zelfs averechts zijn. Een te grote hoeveelheid boilies wordt meer als hoofdmaal gezien dan als een aanvulling. De gretigheid gaat verloren. Voorts wordt het teveel aan boilies witvisgevoeliger door de langere inweektijd in het water. Het duurt gewoonweg te lang eer ze door een karper gegeten worden. Het gevolg is dat het beoogde effect verloren gaat en zelfs de totale respons kan afnemen. Een afgemeten hoeveelheid van 1100 - 1300 - 1500 gram heeft in ieder geval een constant en continu resultaat tot gevolg. Passeert een maal een echte zwaargewicht de voerstek dan is het effect maximaal en is groot succes verzekerd: de gigant is hebberig en ligt te wachten of komt na enkele uren terug tijdens de eerstvolgende vissessie.

De invloed van partikels

Meerdere malen hebben we geprobeerd met behulp van vele kilo's maïs of kikkererwten de boiliestek te ondersteunen om zodoende een meereffect te kunnen bewerkstelligen. Vaak echter was het resultaat teleurstellend en de. beloning te klein voor de geïnvesteerde moeite. De witvisgevoeligheid van maïs bleek ook een nadelige invloed te hebben op de bijliggende boilies, want op den duur werden deze ook gepakt en gegeten door winde, voorn en brasem. Dat kan de bedoeling niet zijn'. Incidenteel kan een lange voercampagne met alleen een beperkte hoeveelheid maïs groot succes brengen. Zo wist ik zelf na een dikke week voeren een 36-ponder te vangen in een grote zijhaven van het Amsterdam-Rijnkanaal. Herhaalde identieke voerpogingen liepen in hetzelfde water op niets meer uit. Ook niet bij het gebruik van zeer grote hoeveelheden maïs in de orde van 10 tot 20 kilo. Maar een paar dagen voeren met uitsluitend boilies waren wel altijd goed om enkele beten af te dwingen. Zo kwamen er tenslotte weer 30-ponders boven water. Op welke wijze kan de maïs zinvol worden gebruikt in de zomerperiode? Maïs in combinatie met een boiliestek met het oog op 'stekherkenning' heeft ten doel dat de stek zichtbaarder wordt voor de vis. Bijvoorbeeld in een kanaal, een haven of langs een lange kale kant zijn twee tot drie kilo ruim voldoende. Hierbij komt de normale hoeveelheid boilies die het eigenlijk moeten doen. We adviseren in heel onrustig en moeilijk water vijf dagen te voeren. Deze methode is soms een bittere noodzaak, maar wegens de zware scheepvaart is ook dan succes niet steeds verzekerd. Af en toe heb ik op deze manier een zware vis kunnen afdwingen, maar niet regelmatig.

Een andere mogelijkheid van 'stekherkenning' is er in rustig stilstaand water, zoals in kreekjes en bij de rietkragen en waterlelieplekken van de immense plassengebieden, waar de bodem meestal venig en modderig is. Bij de afgeplatte boilies werd ongeveer een kilootje, nat gewogen, zacht gekookte maïs gestrooid. Hierdoor werd bereikt dat de stek een omvangrijk aanzien verkreeg. Koolhydraten werden toegevoegd maar de boilies bleven de overhand houden. Deze laatste manier is het minste arbeidsintensief en 'baat het niet dan schaadt het niet'. Deze kleine combinatie voldeed voor mij het beste, vooral in het najaar bij dalende watertemperaturen. Verschillende zware exemplaren -tot 35 pond! - lieten zich aldus verschalken.

Nog een laatste woord over de enorme hoeveelheden maïs of andere partikels~ waarmee andere karpervissers voerden en zo te boren ook succes hadden. Een flink vraagteken is volgens ons bier op zijn plaats. Het is net zoiets als de vraag over de kip en het ei, wat was er eerder? Zo ken ik karpervissers die jarenlang op dezelfde stek in groot water twee balen maïs van 25 kilo per week dumpten. Een baal op maandag en een baal op donderdag, rauw! Volgens zeggen hadden ze goede tot zeer goede vangsten, maar ook geweldige missers. Dit geeft de beperking aan van een dergelijke wijze van voeren. Ter plekke was soms zeer veel karper aanwezig (paaiplaatsen), dat is duidelijk. Op een gewone stek met enkele aanwezige karpers kan volgens ons een baal maïs nooit goed zijn. Wat bijvoorbeeld als het kouder wordt en goede boilies (vezelgehalte) en zachte maïs een noodzaak zijn? Een andere vraag: hoe kan het dat twee man tezamen een drie dagen durende sessie 66 aanbeten kregen op een stek waar slechts enkele dagen was gevoerd met twee kilo geweekte maïs per dag? De aanwezigheid van vele, vele karpers ter plaatse was volgens ons de doorslaggevende factor en niet dat er op een bepaalde manier gevoerd was. Onze mening is dat je de zaak kunt beïnvloeden maar niet bepalen. Waar weinig karper is, is veelvuldig voeren overbodig. Is er veel karper in de buurt dan heb je dat gauw genoeg in de gaten, ook met een geringe hoeveelheid voer kan dan een aanpassing plaatsvinden.

2. De overgang van zomer- naar wintervisserij (en omgekeerd)

  Wanneer het warme water afkoelt en onder de 18o C daalt (17 o C-16o C), gaat de vertering van het voedsel al duidelijk trager. Het aas blijft langer in het lichaam van de karper. Terwijl in de zomerse periode een vis na de vangst nauwelijks resten van het aas in zijn ontlasting heeft, komt dit nu regelmatig voor. Dit beeld versterkt zich bij 15o C en 14 o C. De karper is nog wel zeer actief bij 17 o C tot 14 o C. Met een relatief kleine hoeveelheid voer kan veel bereikt worden. Bij deze watertemperaturen boekten wij vaak zeer goede vangsten, zowel in het voorjaar als in het najaar. Respectievelijk de maanden april-mei en september-oktober geven dit verloop in watertemperatuur te zien. Dit geldt soms ook voor een koele (regenachtige) periode in de zomer. Daalt de temperatuur nog verder tot 13 o C dan wordt het kritiek. Bij 12o C treedt de voorbode van het wintergedrag op. De stofwisseling gaat zeer traag, de activiteit neemt af en het verspreidingsgebied wordt beperkter. De lokalisatie wordt belangrijker. De hoeveelheid aas luistert nauw en er wordt snel te veel gevoerd. Voor mijzelf beschouw ik 12 o C als de scherpe grens en het begin van de echte wintervisserij. Bij 11,5 C en lager blijkt er op verschillende wateren een duidelijke overeenkomst te bestaan. De karper vertoont nu voor het eerst echt wintergedrag: bij zoekt zijn winter verblijfplaats (en) op. Toen ik in oktober 1988 een riviertje van een tiental kilometers beviste, was de karper overal nog gÃoed vangbaar bij 14 o C-13o C. Maar toen het water daalde naar 12 o C waren blanks op meerdere goede 'zomerstekken" aan de orde van de dag Totdat een vismaat een flinke groep karpers lokaliseerde bij een takkenstek. De eerste vangsten waren bij 13 o C-12o C. De temperatuur daalde in enkele weken naar 5o C, maar de vangsten' bleven gewoon op hetzelfde niveau! In de 12o C-periode bleef ik zoeken en vond na veel moeite een goede stek enkele kilometers verderop. Tot ver in de winter kon ik er vangen en uiteindelijk wist ik daar in december 1988 mijn dertigste 20-ponder op de kant te leggenDe stekken waar de karper bij 11,5o C gevangen werd, duidden voor 90% de winterstekken aan! Maar er is meer, namelijk de te voeren hoeveelheid aas welke vrijwel overeenkomt met die in de echte winterperiode.

Het aas

De laag-eiwitboilie van l0%-18% EV kan nog het meest worden gevoerd. Bij 17o C globaal 1000 gram en dalend naar 750 gram bij 14o C en 13 o C. Bij gebruik van de eiwitrijke boilie van 23% tot 28% EV kunnen we met minder toe: 800 gram bij 7,0o C en geleidelijk dalend naar 500 gram bij 14 C.

Bij tragere vertering zijn ook de voedingsvezels een zeer belangrijke factor

Wat doen we met de maïs? De hoeveelheid vermindert aanzienlijk en de bereiding wordt intensiever. Na een inweekperiode van minimaal 24 uur en liefst langer, moet de maïs tussen de 30 en 50 minuten koken. Boterzacht is het motto. Om geen risico te lopen is het verstandig de maïs al te gaan koken bij watertemperaturen van 17o C. Maar vooral rond 15 o C wordt het een must. Waarom? Het lagere metabolisme veroorzaakt, dat het voedsel langer in het lichaam van de karper blijft. Weken en koken versnellen het verteren. Hoe kouder het water is, des te slechter verteert een hardere maiskorrel. Met een onjuiste behandelimaïskorrelharde) maïs nauwelijks nog aantrekkingskracht.

Twee voorbeelden uit de praktijk:

In het voorjaar van 1988 voerde ik enkele dagen met een kilo (droog gewogen) geweekte maïs, die slechts enkele minuten was gekookt. Op de eerstvolgende sessie blankte ik bij een watertemperatuur van 13 o C. Ondertussen voerde ik op een andere stek in hetzelfde water, ongeveer een kilometer verderop, met uitsluitend boilies. Op deze stek viste ik vier dagen later en ving onder andere een schubkarper van 13 pond met in zijn ontlasting resten van maïskorrels! Het zag eruit als een taaie in elkaar gepropte vezelachtige substantie. Dit nog steeds bij een watertemperatuur van 13 o C. Wat had dit te betekenen? Onmiddellijk realiseerde ik mij dat deze vis op die andere voerstek gegeten moest hebben. Op dat ogenblik was ik ter plaatse de enige karpervisser, zeker weten. ....... hoeveel dagen geleden had ik daar voor het laatst met maïs gevoerd? Ruim vier dagen! Mijn conclusie was dat deze vis en een behoorlijke afstand had gezwommen en met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid enkele dagen geleden had gegeten. In dit geval duurde het verteringsproces van vrij harde maïs wel zeer lang. De respons was nul komma nul en van attractiviteit was geen sprake. Op de bewuste tweede stek was twee dagen gevoerd met 500 gram eiwitrijke boilies van 28% EV Resultaat: drie aanbeten, waarbij een 20-ponder, in vijf uur vissen.

In oktober 1989 gebruikte ik op een zeer grote plas de volgende combinatie:
750 gram laag-eiwitboilies van 17% EV aangevuld met ruim een kilo (nat gewogen) maïs, zeer zacht gekookt. De respons was uitstekend. Na twee voerdagen waren in sessies van zes uur steeds twee tot vier aanbeten te verwachten. De ontlasting van de gevangen karpers vertoonde het volgende beeld: mooi zacht en brijig met vele maisvliesjes en soms doorspekt met de resten van boilies

Achteraf bekeken, maar dat is altijd zo, begrijp ik nu waarom vroeger een aantal voercampagnes van mijzelf en vrienden mislukten. Zo voerde een vismaat eens in april bij 11,5o C vijf tot zes kilo mais, die hij uitsluitend had geweekt.maïsl brasem zag hij nog wel (begin paaitijd - schoolvorming), maar geen karper. Twee fouten: 1.Veel te veel gevoerd en 2.Te hard en dus niet goed te verteren.

Samenvattend:

a. bij het gebruik van mais deze weken + goed zacht koken. b. bij dalende watertemperaturen: 2000 gram (nat gewogen) bij 17 o C, 1500 gram bij 15o C, 1000 gram bij 14o C, 750 gram bij 13 o C en 500 gram bij 12o C.

 

3. De wintervisserij

Wanneer de watertemperatuur eenmaal onder 12 o C is gedaald, ontstaat er een eenduidig beeld, een situatie met duidelijke kenmerken. Zeker is, dat je nu met de winterse benadering het meeste succes boekt. Daarentegen faalt een zomerse kijk op de zaak grotendeels. Koud is koud en of het nu 10 o C of 5o C is maakt niet zoveel uit. De stofwisseling van de karper is zeer laag en de rustige runs en het slome vechten zijn tekenend. De karper neemt weinig voedsel tot zich en is gedurende korte periodes actief. De vangplaatsen zijn vooral op groot water moeilijk te vinden. Voor de meeste vissers is naast het vinden van vangplaatsen het grootste probleem de weersgesteldheid, het trotseren van de elementen.

In het najaar is het nog redelijk toeven aan de waterkant, maar in de wintermaanden is dit heel anders. Desondanks kunnen de vangsten nog best goed zijn en soms niet eens veel minder dan bij de hogere watertemperaturen.

Het aas

In de winterperiode komt uitsluitend de eiwitrijke boilie van 23%-28% EV (bijvoorbeeld op een vismeel-trouvitbasis) in aanmerking met een vezelgehalte van 3,5-4 gr/240 kcal. Ook de vetten zijn nu zeer belangrijk: 20%-25% EV In het algemeen is de hoeveelheid boilies die we kunnen voeren constant, tot aan de koudste watertemperaturen waarin de karper nog 'actief' kan zijn (5o C-6o C) toe. Maar eenmaal onder de 4o C is het niet veel meer. Echter in de praktijk ligt de watertemperatuur met onze zachte winters meestal tussen de 5 en 7 graden.

De hoofdregel is maximaal 500 gram per dag.

Meer: is overdreven en kan alleen nodig zijn in uitzonderlijke omstandigheden.

Minder: is dikwijls te prefereren: een gewicht ergens tussen de 200 gram en 400 gram afhankelijk van de praktische vissituatie.

In de winterperiode is het gebruik van partikels niet essentieel en niet nodig op een voerstek. Bij lage watertemperaturen heeft de karper het aas een zeer lange tijd in zijn lichaam en een goede voedingswaarde plus een goede darmpassage zijn dan van het hoogste belang. Kortom: goede eiwitten, vetten, goed ontsloten koolhydraten en een juiste hoeveelheid ruwe celstof zijn een

vereiste. Wat zouden partikels in dit opzicht extra kunnen bieden? Als we met een kant en klaar gewicht van slechts 500 gram en vaak nog minder een maximaal effect bereikt kan worden, wat heeft het voeren met partikels in vergelijkbare hoeveelheden dan nog voor nut? Voor een duidelijk overzicht volgt hieronder een schema.

schema: De watertemperatuur als maatstaf voor de dagelijkse                   hoeveelheid aas

               Boilies                                        Boilies
               laag eiwit 10%-18%                    hoog eiwit 23%-28%

24o C     1500 gram maximaal
23o C      -
22o C      -
21o C     1300 gram gemiddeld
20o C      -
19o C      -
18o C     1100 gram minimaal

17o C     1000 gram                                                  800 gram
16o C     1000 gram                                                  700 gram
15o C     1000 gram                                                  600 gram
14o C     1000 gram                                                  500 gram
13o C     750 gram                                                    500 gram
12o C     750 gram                                                    500 gram

11o C                                                                200-500 gram
10o C                                                                200-500 gram
  9o C                                                                200-500 gram
  8o C                                                                200-500 gram
  7o C                                                                200-500 gram
  6o C                                                                200-500 gram
  5o C                                                                200-500 gram
  4o C                                                                200-500 gram
 
Het schema is een grove leidraad en kan niet in alle omstandigheden te star worden gevolgd. Soms is enige flexibiliteit een noodzaak. Waarom?

a. De associatie stek-voedsel

Op een voerstek is het belangrijk dat de karpers de plaats herkennen waar het voedsel ligt en die plaats in verband brengen met het voedsel zelf, zodat zelfs de domste vissen kunnen weten: jongens hier moeten we zijn. Daar waar karpers zich langere tijd ophouden of bij duidelijk gemarkeerde stekken kan de associatie snel tot stand komen. Denk aan stekken, zoals takken in het water of overhangende bomen. Vooral bij kleinere stekken kan 200 gram tot 400 gram in de winterperiode al ruim voldoende zijn. De associatie komt moeizamer tot stand bij een zandafgraving of een lange kale kant (kanaal of haven).

b. Het 'zich prima voelen', verzadiging en gretigheid

Meer voeren dan een karper op kan eten, heeft geen enkele zin. Sterker nog, bij een overdadige hoeveelheid koolhydraten treedt niet alleen een gevoel van verzadiging op, maar wordt tevens de negatieve kant van het voedsel, dat als aanvulling bedoeld is, benadrukt. In de beste viswateren gaan wij in de zomerperiode uit van laag-eiwit boilies van 10%-18% EV, die daar de hoogste attractiviteitswaarde leveren in de correctie van de eiwit-koolhydraatverhouding. Maar meer voeren dan hiervoor nodig is, is overdreven en voor de karper kan zelfs de balans doorslaan naar de verkeerde kant. We moeten namelijk voorkomen dat een te sterk negatief gevoel kan gaan overheersen en de karper voorgoed weg zal zwemmen van de voerstek. Verzadiging als gevolg van extreem grote voerhoeveelheden kan nooit goed zijn, zowel vanuit het koolhydraat- als vanuit het eiwitaspect. Door middel van een gereserveerde hoeveelheid aas de karper een beetje te dwingen direct in de buurt van de stek natuurlijk voedsel te eten, komt ons en de karper goed uit. In dit geval zal de attractiviteit van het voer het hoogst zijn, mede gezien de mate van beschikbaarheid: denk aan de gretigheid van de vis.

C. Witvisgevoeligheid en stroming

Deze twee factoren kunnen er de oorzaak van zijn dat de boilies en/of partikels niet door de karper worden gegeten, maar verloren gaan. Zo kunnen grote scholen brasems een last zijn, vooral wanneer gevoerd wordt met te kleine boilies. In de zomer leidt de combinatie van zeer veel maïs met boilies dikwijls tot extra witvis op de stek. Het gevolg is vaak een groot negatief effect op het succes van de bijliggende boilies. Is er veel stroming in het water dan kan de hoeveelheid voer meer zijn dan in het schema wordt aangegeven. Zo voerde ik eens in de winterperiode in een nauwe doorgang die uitkwam op het Amsterdam-Rijnkanaal. Per uur kwamen er verschillende zware vrachtschepen, duwbakken en olietankers voorbij. De scheepvaart oefende af en toe een enorme zuigkracht uit op het water, waardoor er op de voerstek regelmatig een heftige stroming ontstond. Hoewel ter plaatse de watertemperatuur schommelde tussen 5o Cen 8o C bleek 500 gram voer per dag niet veel op te leveren. Pas toen dat gewicht opgevoerd werd tot 800 gram kon ik er regelmatig twee aanbeten per sessie afdwingen.

Het gebruik van laag-eiwit of hoog-eiwit in de overgangsperiode

Het principe is dat in de overgangsperiode bij eenzelfde watertemperatuur zowel met laag-eiwit als met hoog-eiwitboilies kan worden gevoerd, maar dan wel in andere hoeveelheden. De vraag is nu: wanneer voeren we bij een bepaalde watertemperatuur met laag-eiwit en wanneer met hoog-eiwit? En wanneer schakelen we dan over? Het antwoord is vrij eenvoudig te geven. Namelijk in de zomer vissen we principieel met laag-eiwit en in de winter principieel met hoog eiwit. Vanuit de zomer gezien, vissen we zo lang mogelijk door met laag-eiwit, ook wanneer de watertemperaturen gaan dalen. Omgekeerd vanuit de winter gezien, vissen we zo lang mogelijk door met hoog eiwit wanneer de watertemperaturen gaan stijgen. De hoofdregel is:

'Trek altijd je succes door!' Dit betekent dat als je eenmaal regelmatig vangt, je niet eerder overschakelt van hoog op laag of andersom dan dat het moment bereikt wordt dat de klad in het vangen komt. Zoals uit het schema op te maken is, ligt dat bij laag eiwit rond de 12o C bij dalende watertemperaturen. En bij hoog-eiwit ligt dat rond de 17o C -18o C bij stijgende watertemperaturen. Nogmaals: succes en fiasco zijn in de praktijk maatgevend.

Het aantal voerdagen

In het pre-boilie-tijdperk werd een voerstek zorgvuldig opgebouwd. Zachte aassoorten gaven een matige selectie naar de karper toe en een week voeren was toch wel het minimum. Toen kwam de enorme impact van de boilie: zijn uitstekende vermogen tot selectie door de hardheid ervan staat tegenwoordig garant voor een snelle respons. De karper vliegt erop zogezegd. Hoeveel dagen zijn nodig? Dagelijks voeren of niet? Om met de laatste vraag te beginnen: hierop antwoord ik met een volmondig ja! Het voeren 'om de dag' zie ik niet zitten. Wat de ene dag wordt opgebouwd, wordt de volgende dag door niet te voeren weer afgebroken. Als het al lukt, dan zijn er toch weer veel dagen vereist. In uitzonderingsgevallen kan ik het mij nog voorstellen, zoals in de wintertijd of tegengesteld in de warmste zomerperiode, wanneer soms in grote hoeveelheden (partikels) kan worden gevoerd. Echter met het dagelijkse voerritueel is het vaak al moeilijk genoeg de karper vast te houden of terug te laten komen. Liever regelmatig en weinig gevoerd dan veel af en toe.

De te volgen methode is vrij simpel. Na het vinden van een geschikte stek, wordt er drie dagen gevoerd. De eerste vissessie is op de vierde dag en behoeft niet langer te duren dan vier tot zes uur. Het dagelijkse voertijdstip is natuurlijk wel van belang. Het beste is zoveel mogelijk hetzelfde uur na te streven, vlak voor een bepaalde aasperiode. De karper bepaalt zelf wanneer hij aast. Dwingen naar een niet-aasperiode is vrij zinloos. Het effect wordt groter naar de aasperiode toe. Meestal is er een duidelijke aasperiode die enkele uren voor het donker begint en die makkelijk kan doorlopen tot in de nacht. Uitzoeken! Is de voorbereiding goed geweest dan moet de beloning in de vorm van minimaal een aanbeet komen. En vier aanbeten vind ik al zeer goed! Let wel, ik heb het hier over groot water. Van de eerste sessie hangt veel af. Er heeft 72 uur voer gelegen dus moet er volgens mij gevangen worden. Een blank mag in principe niet. Uitvluchten als 'de wind kwam uit de verkeerde hoek' of 'regen' of 'mist' bestaan voor mij absoluut niet. Dit klinkt hard, maar het is mijn overtuiging. ik zit liever op een goed voorbereide voerstek met een 'foute' wind dan op een stek met een 'goede' wind zonder te voeren. Het is natuurlijk de kunst zoveel mogelijk te anticiperen op de mogelijke windrichting enkele dagen in de toekomst. De fameuze journalist Joris van de Berg zei eens: 'Wat goed is, komt snel'. Hij had het over talenten in de sport. Voor een stek waar drie dagen is gevoerd, geldt mijns inziens hetzelfde. Het omgekeerde geldt ook. Is het al direct niets dan blijft het ook vaak niets. Natuurlijk zijn er uitzonderingen maar het gaat toch om de regel. Een blank heeft vrijwel altijd een oorzaak. De stekkeuze kan niet goed zijn geweest. Maar de visser kan ook een belangrijke fout gemaakt hebben. De boilies waren niet hard genoeg, er is te veel dan wel te weinig gevoerd of de kwaliteit van het voer was onvoldoende enzovoorts. Ben ik er eenmaal van overtuigd alles goed te hebben gedaan dan krijgt toch echt de stek de schuld. Optimistisch bekeken waren slechts vier tot zes uur vissen nodig om hier achter te komen. Hoe nu verder? Bij een blank is 't het beste onmiddellijk rigoureus met de voerstek te kappen, want de kans op een tweede blank is meer dan 50%. Eventueel kan een tweede poging enkele weken later worden gewaagd, maar niet op te korte termijn. Zit de eerste sessie erop met enig resultaat, dan wordt de volgende dag de vijfde - weer gewoon gevoerd en de zesde dag ook. Nu komt er een aanzienlijk verschil met het begin op deze stek, want niet op de achtste, maar reeds op de zevende dag is er opnieuw een vissessie van vier tot zes uur. Zo kan de stek aangehouden worden, maar het is zeker geen wet van Meden en Perzen om dit schema aan te houden. Echter, ideaal vind ik het wel. Zeer slechte weersomstandigheden of prive-redenen kunnen aanleiding geven eens een dag extra te voeren.

Kobus met een dertigponder

Waarom zo kort voeren?
Er zijn meerdere invalshoeken. Bij meer voerdagen wordt de piek op de stek niet echt beter en vaak genoeg zelfs slechter. Er zijn vissers die wel een week of nog langer voeren en denken dat zij goed vangen. Maar wat is goed? Wat is de norm? Na tien voerdagen moet je natuurlijk wel goed vangen, wil het de moeite waard zijn geweest. Minimaal een flink aantal aanbeten (5-10), waar forse karper bij moet zitten. Dit lukt misschien een enkele keer wel, maar ik durf te stellen dat dit toch niet de doelmatigste manier is. Afgezien van de teleurstel- ling dat het wel eens een zeer slechte stek kon zijn (en dit zou ik al op de vierde dag weten) kunnen er met de aangeboden methode minstens evenveel en vrijwel zeker meer karpers in hetzelfde tijdsbestek gevangen worden.

Voorbeeld: stel er is volgens de geschetste voer- en vismethode gevist op de vierde, de zevende en de tiende dag met als resultaat drie karpers per keer. Dus in totaal negen stuks in ongeveer 15-18 bijeengetelde visuren. Ik beweer dat het veel gemakkelijker is drie karpers per keer af te dwingen dan negen. Die moeten eerst nog maar eens gevangen worden. Over een lange tijd karpers opsparen is volgens mij niet goed mogelijk. Na drie voerdagen heb ik ook wel eens acht tot tien aanbeten gehad!

Na een moeizame voorbereiding van tien dagen komt alles aan op die ene sessie. Hoe lang zou die moeten zijn? Met meerdere korte sessies om de twee dagen vang ik meer karpers in dezelfde periode. Een gelijkmatige spreiding van hengeldruk doet wonderen. En soms is het zeer goed eens twee dagen achtereen te vissen of slechts een dag over te slaan, maar dit geldt als uitzondering. Dit moet de visser goed aanvoelen. Algemeen gesteld is de volgende beeldspraak van toepassing: hou het gras kort, dan groeit 't snel weer op. Met lang voeren kom je niet aan veel vissen toe. Een praktisch voordeel van de voer- en vismethode is dat twee voerstekken tegelijk kunnen worden aangehouden. Beide kunnen optimaal 'om en om' bevist worden. Vooral in het warmere jaargetijde viste ik aldus vier maal per week, samen ongeveer 25 uur.

Wanneer houdt een voerstek op?

Eigenlijk kan een voerstek onbeperkt duren, maar alleen op uitzonderlijke stekken kan het rendabel genoeg zijn om maandenlang te blijven zitten. Echter, de categorie superstek is dun gezaaid. De eerste weken zijn altijd de beste, niet eens zo wat betreft de aantallen, maar wel degelijk voor wat de grootte van de vis betreft. Zo'n goede periode komt zeer waarschijnlijk op een later tijdstip wel weer terug. Twee weken voeren en vissen zijn op een gemiddelde stek ruim voldoende voor het beoogde resultaat. Het is gemakkelijker om na de twee weken een splinternieuwe stek te beginnen. Er zijn daar betere vangsten te verwachten, in vergelijking met een eventuele derde en vierde week op de vorige stek. Laat de eerste stek een flinke tijd met rust, minimaal twee weken en liefst nog wat langer voor een nieuwe poging wordt ondernomen. Als je dat niet doet komt er een soort stekdressuur, want de gevangen karpers die deels territorium gehecht zijn, vallen voorlopig af. De blanco, de onbevangen situatie is verdwenen. Het tijdig verplaatsen van de voerstek kan zeer succesvol zijn in de jacht op grote karpers. Komt de berg niet naar Mohammed dan komt Mohammed naar de berg. Met name groot water (+/- 100 hectare) kunnen we nu zeer methodisch afvissen. In de zomerperiode zwemmen karpers binnen betrekkelijk korte tijd soms zeer grote afstanden. Daardoor heeft een stek waar veertien dagen gevoerd en gevist wordt ook invloed op een meer omvattend gebied. Een echt uitstekende stek kan dan ook erg lang doorlopen. De vangst van een echte topvis van 30 -plus wordt een mogelijkheid, maar die mag per stek zeker niet te lang op zich laten wachten.

 

De afroomgedachte

Het grootste probleem met de vangst van een 30 -plusponder op groot water is tweeërlei:

- hoe haal je hem uit vele kleinere vissen?
- waar zit hij, als je eenmaal het juiste water gevonden hebt?

Het eerste probleem wordt eigenlijk opgelost met behulp van het aas. De grote cultuur-karper prefereert het laag-eiwitaas als aanvulling op zijn dagelijks natuurlijk voedsel. Het gevolg is een zekere 'selectie'. Het tweede probleem is het grootst. De meest logische oplossing is het feitelijk lokaliseren van de vis, maar dit gebeurt vrijwel nooit. In den blinde een lange tijd - weken, maanden, jaren? - te gaan zitten wachten geniet niet mijn voorkeur. Bij het speuren naar de overeenkomsten van de vangst van grote karpers viel mij het volgende: het'moment supreme was zo gemakkelijk. Veel van de eerste 25- en 30-ponders die ik wist te vangen, kwamen schijnbaar zonder dat ik er veel moeite voor had gedaan. De visser op de juiste tijd en plaats, voorts de zaakjes goed voorbereid en direct was het raak! Het succes kwam meestal snel en zonder inspanning als ik net op een nieuwe stek zat. Allerhande publicaties, lezingen en ervaringen van andere karpervissers wezen ook dikwijls in de richting van een supervangst die vlot kwam.

Een voorbeeld: Joop, een goede vismaat, vond een fraaie stek op een groot plassengebied (+/- 1000 hectare). Aanvankelijk kreeg hij geen beet, maar de stek zag er voortreffelijk uit. Ter plaatse was het onmogelijk om een andere stek te zoeken, omdat het water alleen op die stek bereikbaar was. Na zeven dagen voeren en tussentijds drie korte blanks van gemiddeld vier uur, kwam de eerste aanbeet. De volgende sessie ving joop zijn eerste 30-ponder! Meerdere vissen volgden tot een maximum van 28 pond. Na half oktober kwamen de blanks weer terug. Het was een echte zomerstek. Toen Joop het volgend jaar de vis er weer op kreeg, startte hij met een gigantische vangst: een 34-ponder plus een 26-ponder in een sessie. Pas na 59 dagen ving bij nog een 30-ponder, dit was de enige grote karper die niet snel kwam. Een saillant gegeven is dat de 26-ponder dezelfde vis bleek te zijn als de zoeven vermelde 28-ponder van het jaar ervoor. De top kwam direct.

Toen ikzelf voor het heerst een uitgebreid havencomplex viste, woog mijn derde karper 36 pond!

In een riviertje ving ik een 32-ponder binnen een week. Kobus, mijn eerste vismaat, ving zijn eObus 30-ponder na slechts twee dagen voeren, zie het verhaal Meer Dertigers! Zo kan ik nog wel even doorgaan. Het lijkt zo gemakkelijk de krenten uit de pap te pikken, maar in feite is het een kunst met een grote 'K'. Vele, vele malen gebeurt er namelijk weinig. Er wordt wel gevangen, maar het gaat dan om veel kleinere vissen. Op zichzelf genomen prachtig, wanneer komt nu echter de volgende topper? De echte top is zeer smal. In de werkelijkheid herhaalt de geschiedenis zich vaak: 'L'histoire se repete', onder andere gebeurt dit meSehreepteelen van de top. Na een behoorlijke tijd zijn er bepaalde gebeurtenissen die identiek zijn met die in het verleden. Dit geldt ook voor supervangsten. Een maand, een jaar later en 'het' gebeurt op exact dezelfde manier. Zie onder meer het verhaal van de 36-ponder (Een Droomvis).

Ruud en ik hebben de gegevens verzameld van alle grote karpers, die volgens onze voer- en vismethode gevangen waren. We waren benieuwd of een duidelijke lijn viel te ontdekken in een statistische vergelijking van de 'makkelijke' en de 'moeizame' vangsten. En zo ja of we hier wat aan zouden hebben.

Evert met een 32-ponds spiegel

De vangsten over 1986 tot en met 1989

A. 16 karpers van 30-36        pond.

B. 35 karpers van 25-29             pond.

C. 103 karpers van 20-24       pond.

Deze karpers zijn door ons- zelf en enkele visvrienden gevangen in allerlei soorten viswateren als kanalen, havens, riviertjes grote oude plassengebieden en zandaf- gravingen. Zeker de zwaar- gewizandaalogravinnenvaak de echte top. Vanzelfsprekend zijn niet alle zware karpers steeds andere vissen. Een beperkt aantal is gedubbeld, maar dat maakt niet uit omdat de vangst op zichzelf karakteristiek is voor de tijdsduur. Het ondersteunt zelfs de algemene tendens van het vangen van topvissen.

Alle gegevens zijn voor 100% betrouwbaar en gebaseerd op 6000 zuivere visuren, die uitsluitend gemaakt zijn op voerstekken. Natuurlijk is er ook nog een veelvoud aan karpers gevangen die lichter waren dan 20 pond. In totaal ongeveer 1000 stuks. Het aantal dagen wordt als volgt geteld:

- De eerste voerdag telt als een enzovoorts.

- De tussentijdse sessies tellen gewoon mee.

- Na veertien dagen zijn er drie tot viermaal 4 - 6 uur gevist. In principe om de twee voerdagen met een aanloop van drie.

30-36 pond

Binnen l4 dagen - 13 stuks - gemiddeld 9 a 10 dagen wachten gespecificeerd:

1 x 36p/ 2 x 35 p/ 2 x 34 p/ 2 x 32 p/4 x 30 p

Na 14 dagen - 3 stuks - gemiddeld 30 dagen wachten gespecificeerd:

1 x 31p/2 x 30 p

B. 25-29 pond

Binnen l4dagen - 20 stuks - gemiddeld 7 ledigenachten

Na l4dagen - 15 stuks - gemiddeld 36ledigenwachten

 

C. 20-24 pond

Binnen 14 dagen - 63 stuks - gemiddeld 7 dagen wachten

Na 14 dagen - 40 stuks - gemiddeld 32 dagen wachten

Conclusies:

1. Opvallend is dat over de gehele linie een belangrijk verschil in moeite bestaat tussen de eerste veertien dagen en de aansluitende periode. De wacht-tijd in dagen voor een vis uit dewachttijdriode is drie tot vijfmaal zo lang!

2. Bij de 30-ponders, wat ons in het bijzonder interesseerde, zijn twee dingen heel opmerkelijk, namelijk dat

- de meeste 30-ponders gevangen werden in de eerste veertien dagen in een verhouding van 13 :3;

- de aller zwaarste vissen vrijwel zonder uitzondering ook in de eerste veertien dagen kwamen.

Deze conclusies hadden wij al eind 1987 getrokken, toen de gegevens over de jaren 1986 en 1987 precies hetzelfde beeld vertoonden. In de jaren 1988 en 1989 werd dit alles nog eens bevestigd. Begin 1988 besloten we de geschetste informatie om te zetten in een op de praktijk gericht plan met als uitgangspunt het graag willen vangen van zoveel mogelijk topvissen.

Het plan was de afroomgedachte:

1. Vereist is een blanco visstek. Blanco in de zin van:

- nog nooit bevist of

- oude bekende visstek of

- beviste stek die een flinke tijd met rust gelaten is.

2. Het toepassen van de voer- en vismethode gedurende maximaal veertien dagen, waarbij in principe elke sessie vis dient op te leveren. Loopt de stek goed qua aanbeten dan worden in eerste instantie de veertien dagen volgemaakt. Vervolgens wordt er toch gevolgepakt al zijn er nog veel aanbeten.

Twee mogelijkheden:

- de buit, een topvis afhankelijk van het water is binnen

- de buit is niet binnen, maar wel een uiteenlopende hoeveelheid kleinere karpers.

3. Direct na een topvangst sneller kappen dan na veertien dagen. Blijven zitten op een succesvolle stek is de neiging die we allemaal hebben, maar tweemaal kort achter elkaar een topvangst doen op dezelfde stek kwam bij ons vrijwel niet voor. De ervaring leerde ons dit, want we bleven de eerste jaren vaak genoeg langer zitten.

4. Is er met een voerstek gestopt dan kan elders een nieuwe stek worden opgestart. Hoe meer stekken hoe beter.

5. Tot slot, wanneer het aantal goede stekken eenmaal is uitgeput, laten we deze een tijd met rust om later opnieuw te kunnen afromen. Alleen op de echt fantastische stekken vissen we nu systematisch door, dat wil zeggen langer dan veertien dagen.

Kobus met 'Het Schilderij'

De vangsten

In 1988 waren onze eerste resultaten met deze gerichte methode werkelijk fantastisch. In de maand mei ving ik zelf naast de gebruikelijke 20 ponders een schitterende 28 ponder en een mooie 26 ponder. Vervolgens in de zomer- maanden 20-ponders aan de lopende band en eindelijk in augustus een fraaie 30-ponder.

Ruud ving zeer snel zijn 'personal best' met een kolossale 33-ponder. Maar Joop maakte het helemaal bont met in mei een 30 ponder, in juni een 28-ponder, maar ook nog een gigantische 35-ponder. Deze laatste karper wist hij later in het jaar nogmaals te vangen op een lager gewicht van 33 pond!

Nota bene: wij visten alle drie op een ander viswater!

Natuurlijk mislukten verschillende stekken, maar als 't raak was, dan was ook goed raak. De vangsten volgens de voer- en vismethode en de wachtdagen in cijfers:

Evert: 28p - 4 dagen,  26p - 1Veerten, 30p - 11 dagen

Ruud: 33 p - 14 dagen 

Joop: 30p-7 dagen, 28 p-8 dagen, 35p-5 dagen, 33p-5 dagen

Over wat ons verder nog opviel

1. Een goede stek, dus een met veel aanbeten, biedt geen garantie voor zware vissen, hoewel je zou denken dat daar logischerwijs meer kans op zou zijn. Op mindere (?) stekken kon toch een grote karper gevangen worden, weliswaar met veel minder aanbeten. Zo ving ik in 1986 een 32-ponder op een zeer matige stek, waar ik later vele malen blankte. Mazzel? ik ving deze karper webankte zevende dag! In mei 1988 ving ik een groot aantal op een goed uitgezochte stek. Na twee weken had ik 15 karpers met een maximum van 20 pond. De laatste sessie (14e dag) gaf nog zes runs. Desondanks kapte ik ermee en wist op een splinternieuwe stek na slechts drie voerdagen een prachtige spiegel van 28 pond op de kant te leggen. Het was een van mijn favoriete vissen, zo mooi was hij, maar wel gevangen op een nogal onaanzienlijke stek, waar ik later nog slechts met veel pijn en moeite een karpertje kon vangen. Op de eerdergenoemde stek met veel aanbeten kwam ik terug tweede 'afroomcyclus' en nu met succes: een 26-ponder op de tiende dag. Ook Joop kon op een mooi uitziende stek, waar hij na de eerste vier voerdagen oorspronkelijk een 35-ponder verschalkte, later niets bijzonders meer vangen.

Goede of slechte stekken? Wat is de definitie ervan? Bij het prikken of afromen, mogen ook slechtere stekken niet altijd worden overgeslagen. De enige eis is dat er wel af en toe een aanbeet moet komen.

2. Het gebrek aan stekken. Afromen klinkt mooi, maar je bent wel snel door je stekken heen. Stekken en wateren zoeken!

3. De eerste aanbeten op een blanco stek zijn zeer belangrijk, hetgeen betekent dat je op je qui vive moet zijn en vooral in het begKIzvieveinig mogelijk mag verspelen. De gouden kans is geweest voor je het goed en wel beseft, wat bewezen wordt door de werkelijke vangsten.

4. De toepassing van de afroomgedachte met behulp van de voer- en vismethode geeft op een nieuw water, hoe groot ook, binnen enkele maanden een goed beeld van de karperpopulatie en met name van de top.

Op het eerste gezicht lijkt dit prachtig. Absolute zekerheid heb je pas jaren later. Ik zal enkele voorbeelden geven hoe je volledig in de fout kunt gaan.

Enkele karpervissers visten voor het eerst in een mij goed bekend viswater. Met hun eigen voermethode vingen zij zeer snel een spiegelkarper van 26 pond. Een schitterend begin: 'Wat moet hier wel niet zitten? We gaan hier niet meer weg voor we een dertiger hebben!' Ik wist dat deze vis op dat moment de absolute top was op dat water. Diezelfde vis was namelijk niet alleen door mij maar ook door andere karpervissers verschillende malen gevangen. Jarenlang vissen op dit water bracht pas een helder inzicht, onder andere door de herhaalde vangsten van de grotere vissen. Toch zijn er nog steeds mensen die het beter menen te weten, terwijl ze er zelf nauwelijks vissen. Aanvankelijk dacht ik ook dat er genoeg grote karpers zaten,

hoewel ze niet gevangen werden. Achteraf bekeken hadden we in de eerste jaren de toenmalige top al vlug te pakken. We wisten gewoonweg niet beter en slikten als zoete koek alle geruchten van zelfs 40-ponders!

Een ander voorbeeld. In de zomer van 1988 viste ik samen met Joop voor het eerst op een groot plassengebied van ongeveer 1500 hectare. We vingen veel 20-ponders en vissen van 22 tot 24 pond waren vrij normaal. Stevig doorvissen volgens de afroomgedachte leverden vissen op van maximaal 25-27 pond. Waar bleven toch die 30-ponders? Volgens Joop, die al veel gewend was door perfect afroomwerk en dus teerde op groot succes vlak daarvoor op een ander water, hadden we er eigenlijk al een moeten hebben. Ook hij twijfelde, zo'n groot water met zulke goede vangsten, ze moesten er toch plenty zitten. En we visten hardnekkig plengtok Chris, een andere vismaat, prikte snel naar de 24-25 pond. Van een zeer bekende karpervisser hoorden we dat hij daar vlot een 25-ponder kon vangen, maar daarboven werd het toch erg moeilijk. Een aantal andere jongens die ter plekke gigantische vangsten moeten hebben geboekt, vooral in aantallen 20-plussers, zouden eens een 30-ponder gevangen hebben. Het kan wel waar zijn, maar foto's hebben we nooit gezien. Verder deden natuurlijk de gebruikelijke geruchten de ronde; als je een willekeurig iemand wat vroeg, die er ook eens een blauwe maandag viste, dan had ik er net de afgelopen maand een 32-ponder gevangen! Wat is de waarheid? De kans op een echte 30-ponder is er niet echt groot naar mijn bescheiden mening. De spoeling is zeer dun, te dun om er een fatsoenlijke kans te maken. Ze zullen er misschien wel zitten, maar dan toch niet of nauwelijks op het gebied dat ik met Joop beviste. Voor mijzelf beschouw ik dit water als leuk om er mooie 25-ponders te kunnen vangen met een relatief geringe investering. Inmiddels heb ik er echter afgelopen september 1990 een 29-ponder gevangen! De jaren verstrijken, de vissen groeien blijkbaar.

Nog een voorbeeld. Toen Joop een nieuw water ontdekte en subliem afroomde door er in enkele maanden een 28-ponder, een 30-ponder en een 35-ponder te vangen, dachten we allemaal 'dit is het water' en 'wat moet daar wel niet zitten?' en we filosofeerden ons suf Het jaar erop werd er niet alleen door ons opnieuw afgeroomd, maar ook veelvuldig gevist. Het resultaat: de bekende vissen kwamen er weer uit en bovendien een paar subtoppers. Echter geen nieuwe supervangsten. De realiteit was dat Joop vrijwel direct de volledige top te pakken had gehad. Dit klinkt ongelofelijk, maar was toch de waarheid. En een tegenvallend jaar met name voor Joop was het gevolg! Nogmaals, een meer precies beeld van de top was bijna niet mogelijk: in aantal en grootte bleek het beeld te kloppen. En dit bij een veelvoud aan kleinere karpers die Joop voor het grootste deel niet eens te zien kreeg. Overigens, dit water was zeer moeilijk naar onze begrippen.

De kracht van de afroomgedachte kan aanvankelijk een zeer geflatteerd beeld te zien geven van een water. Simpel gezegd komt het neer op de volgende uitspraak: 'Zitten ze er dan vang je ze ook, maar zitten ze er niet dan vang je ze ook niet!'

Evert Aalten